Vooraf.

 

Deze brochure is een nadere uitwerking van wat ik in eerste instantie schreef voor mijn ei≠gen wijk (wijk 13 Gereformeerde Kerk Nijkerk). Daar werd een boekje van het GVI over ge≠meenteopbouw besproken. Wat hierin werd geboden verontrustte mij. De deels goede in≠houd had kennelijk ook als doel onze gereformeerde 'geloofscultuur' te veranderen. In een eerste korte reactie verzette ik mij daartegen. Dit stuk is achter in deze brochure opgenomen als bijlage (voorzien van een inleiding). Vervolgens heb ik in een tweede stuk mijn bezwaren uitvoeriger onderbouwd. Dit laatste stuk heb uitgebreid tot deze brochure. Overbodig (?) te vermelden dat ik me hiermee niet aansluit bij de standpunten van (laten we zeggen) Ďde Reformanda-bewegingí.

 

Ik merkte dat mijn stukken in grotere kring belangstelling trokken. Dit stimuleerde mij deze brochure te schrijven. Ik heb hierbij het oog op de situatie in ons land. Ik weet niet of buitenlandse gereformeerde kerken in dezelfde mate met de door mij gesignaleerde problemen worstelen. De grootste moeite in ons land is naar mijn oordeel een verontrustend gebrek aan waakzaamheid. Ik mis bij ons de visie en de moed om de 'gezonde' ge≠reformeerde leer te verdedigen en uit te dragen.

 

Anderen gaven mij waardevolle adviezen. Met name wil ik noemen Eveline Boonstra en Ine en Albert Hofsink. Zij steunden mij met raad en daad. Hun kritische aandacht en andere hulp was voor mij van grote waarde. Ook Pieter Boonstra (V.D.M.) was mij behulpzaam met zijn kritische noten en met het attenderen op en beschikbaar stellen van literatuur. Ik mocht profiteren van zijn grote belezenheid, rijke boekenschat en warme belangstelling.
De invloed en steun van mijn vrouw is fundamenteel. Ik ben niet in staat daarvoor passende woorden te vinden. Alleen dit: zij heeft met geduldige liefde de persoonlijke moeiten willen dragen die het schrijven van een brochure als deze nu eenmaal met zich meebrengt.
Allen ben ik erg dankbaar. Uiteraard blijft de inhoud van het hier gebodene geheel voor mijn rekening.

Bovenal dank ik onze hemelse Vader die mij de kracht gaf iets te laten zien en uit te dragen van de overweldigende rijkdom van Zijn verlossend Woord.

 

 

W.Nieboer.

 

 

De tekst is afgesloten op 11 maart 2004.
De hieronder geplaatste brochure kan zonder kosten worden opgehaald van deze web≠stek
(www.willem-nieboer.nl).


Overzicht inhoud.

 

H1. Wat is er aan de hand? Diagnose van wat er gaande is vandaag in onze kerken.

1.1. Een bepaalde bekeringstheorie vindt ingang. Ik noem die 'mensgericht'. Enkele kenmer≠ken hiervan zijn: subjectivisme, individualisme en de nadruk op positieve emoties. Conclusie: eenzijdige selectie uit Gods Woord.

1.2. Het schema inwendig - uitwendig. Dit kent een eigen dynamiek die uitloopt op een on≠bijbelse waardenschaal en op secularisatie. Conclusie: aan Gods Woord wordt een alom≠vattend en Woordvreemd schema opgedrongen.

1.3. Dit schema heeft grote gevolgen voor de gemeenschap van de kerk.

1.4. Overzicht van het verdere betoog in de brochure.

 

H2. Wat is evangelisch? Beschrijving van de evangelische beweging (ev. bew.).

2.1. Algemene kenmerken ev. bew. uit Klank en weerklank van Trimp.

2.2. Historisch overzicht (Trimp). Vanaf de grote reformatie. Typering van de voorlopers.

2.3. Huidige tendensen in de ev. bew. Puntsgewijze beschrijving van de Jong.

2.4. Eigen beschouwingen. -2.4.1. Individualisme geeft problemen met opbouw gemeen≠schap. Geen aandacht voor de vergadering van Gods volk. -2.4.2. Willen we van ev. bew. leren? Zo ja, wat? -2.4.3. Ev. bew. binnen onze kerken. Betekenis hiervan voor de eredienst en voor het leven van de gelovigen.

 

H3. Wat is gereformeerd? Hoofdpunten van de gereformeerde benadering.

3.1. Betekenis Gods Verbondwoord voor het geschapene.

3.2. Onderscheid tussen Rijk, Woord en schepping als werkbare indeling van onze werke≠lijkheid en als begrippenkader voor de verdere beschrijving.

3.3. Situatie vůůr de val. Aan de hand van dit onderscheid beschreven.

3.4. Betekenis zondeval. Val is bewuste Woordverachting bij streven naar autonomie.

3.5. Het fundamentele onderscheid bleef na de val volledig gehandhaafd. Het Woord moet altijd voorrang hebben. Daarvoor ook het geschapene kennen.

3.6. Wat behoort tot het geschapene? Opsomming van geschapen mogelijkheden.

3.7. Algemene kenmerken geschapene. -neutraal, -tweeŽrlei gebruik, -bron van verleiding,
-bewerkbaar.

 

H4. Evangelische invloeden in de gemeente. Moeiten en gevaren.

4.1. De ik-cultuur. Individualistische bekeringstheorie bedreiging voor gemeente. Gesprek nodig.

4.2. Maar gesprek moeilijk. De oorzaken: 1. zelfde woorden verschillen van inhoud (beke≠ring, gebed, getuigenis). 2. Afkeer van 'dogmatiek' (te 'verstandelijk'), verschillende 'golf≠lengte'.

4.3. Gevoel verstrooit. 3e oorzaak. Gesprek over gevoel onmogelijk. Ieder z'n eigen gevoel. Wie gevoel niet beleeft en 'deelt' valt buiten de gemeenschap.

4.4. Aparte gevoelsopwekkingen? Schrift zit vol gevoel. Nadruk op gevoel bedreigt luister≠houding. Eigenschappen van gevoel. Gevoel bedreigt eerbied voor het Woord.

4.5. Rome als waarschuwing. 'Geestelijk' omgaan met scheppingsmiddelen vereist inzicht in en eerbied voor het Woord.

4.6. Verkondiging aan buitenstaanders. Dezen mogen karakter van onze ontmoeting met God niet bepalen. Geen eigenmachtige middelen om het Woord te 'helpen'. Gevaren van:
-
4.6.1.
Massabijeenkomsten. Massa als geschapen beÔnvloedingsmiddel ook gebruikt door Satan. De inhoud en aard van de boodschap doen er dan minder toe.- 4.6.2. Alphacursus. Middel tot beÔnvloeding aan schepping ontleend. Bruikbaar voor allerlei boodschappen. 'Successen' geen argument voor schriftuurlijkheid.

 

H5. Bedreiging uit omgeving. Geestelijke gevaren uit wereld en uit eigen kring.

5.1. Westers materialisme. Invloed onderverdeeld in 3 lagen: onder, midden, boven. - 5.1.1. Onderste laag jacht naar geld en goed. Economisering, zelfontplooiing voorop. - 5.1.2. Mid≠delste laag vermaakindustrie met 1. beeldcultuur. Presentatie boven inhoud. Strijd met Gods beleid (het geloof is uit het gehoor). 2. Invloed op jongeren. 3. Exploitatie van emoties. - 5.1.3. Bovenste laag moderne religiositeit. Zoektocht naar zingeving. Ook bij christenen.

5.2. Platonisme. - 5.2.1. Verdeling in twee werelden. Wortel van onderscheid in - uitwendig. Leidt gemakkelijk tot mystiek. Oordeelsverzwakking. - 5.2.2. Platonisme onder ons. Gevaar: geen normen voor ons innerlijk leven (Woord is maar uitwendig). Stuurloosheid. Gevolgen o.m.: 1. begaafde personen grote invloed; 2. prediking zegt te weinig; 3. Geesteswerking buiten Woord gezocht ; 4. streven naar bijzondere Geestesgaven; 5. eigen gevoel norma≠tieve waarde; 6. gevoel religieus ingekleurd;

5.3. Relativering. Wie bepaalt norm voor wat wťl of niet belangrijk is? - 5.3.1. De rol van het Nederlands Dagblad. Invloed begaafde particuliere opiniemakers. - 5.3.2. De rol van de reformatorische wijsbegeerte. Invloed begaafde denkers.

 

H6. Waarheen? Leerzaam te letten op ontwikkelingen binnen en buiten onze kerken.

6.1. De 'meditatie' van een geref. dominee. Boek ds. Jos Douma over meditatie in 6 stappen. Korte weergave hiervan. Beoordeling 1. verkeerde omgang met het Woord, 2. schending 2e gebod, 3. geen bijbelse grond alleen maar een advies, 4. ontleend aan heidense trance-methoden in het kader van het stof-geest-schema.

6.2. Tolerantie van dergelijke verschijnselen binnen eigen kerken bevordert het individua≠lisme en de autonome instelling van de moderne gelovige. 'Ieder z'n geloof'.

6.3. Kijken naar andere kerken. Positie en taak dominee aan de hand van studie Heitink.
- 6.3.1. Van verkondiging naar viering; - 6.3.2. Van onderricht naar vorming; - 6.3.3. Van heil tot heling; - 6.3.4. Van regering tot beleid; - 6.3.5. Van confessionaliteit tot spiritualiteit.

6.4. Conclusies. Veranderingen kunnen op zich teken van leven zijn. Alles draait om het doel ervan: is dit trouw aan het Woord ůf een knieval voor moderne religieuze mens met zijn ge≠voelens en behoeften?


1Wat is er aan de hand? Een situatietekening.

 

Ons kerkelijk leven verandert voortdurend. Dat kan wijzen op leven. Want rondom de kerk is alles ook in ontwikkeling en dat heeft natuurlijk invloed op ons. Dit kan best positief zijn. Als we maar alles blijven toetsen aan Gods Woord. En er steeds op be≠dacht zijn dat de satan ons van dat Woord wil aftrekken bij Christus vandaan.
Maar er dreigt ook ontsporing. Daar wil ik het hier over hebben. Ik zie gevaren bij ons die het aandachtig luisteren naar Gods Woord ondermijnen. En daarmee ook de on≠derlinge samenhang van ons als gemeente. Als ik probeer dit alles kort samen te vat≠ten doe ik dat met de woorden 'mensgerichte bekeringstheorie'.

 

1.1. Een mensgerichte bekeringstheorie.

 

Persoonlijke bekering altijd nodig. Geen christen mag te kort doen aan de noodzaak van de persoonlijke bekering tot de levende God. De bijbel staat daar vol van. Maar rondom die be≠kering doet God nog veel meer. Zo doet Hij Zijn Woord uitgaan. En ook vergadert Hij Zich een volk. Aan dat volk doet Hij rijke beloften. Zo ontstaat er een wederkerige band, die 'ver≠bond' heet. Dat verbondsvolk roept Hij als plaatselijke gemeente samen in de erediensten, waar Hij aanwezig wil zijn in de prediking van Zijn Woord. Daar wil Hij Zijn volk ontmoeten en is het bij Hem te gast. Dat is voor ons als zondige mensen een groot voorrecht waar we rijk mee zijn. Een weelde, die ons intens blij moet maken.

Verbondsautomatisme. Tegelijkertijd leert het Woord ons dat het behoren tot dit volk en onze ontmoeting met Hem geen automatische garantie biedt voor ons eeuwig behoud. Als we dŠt zouden denken zitten we er goed naast. God waarschuwt daar indringend tegen (zie o.m. Joh.8:33 e.v.). Als die dwaling (verbondsautomatisme) zich bij ons voordoet moet ons enig antwoord daarop zijn: strijden tegen die valse gerustheid en oproepen tot persoonlijke beke≠ring, tot persoonlijke aanvaarding van Gods beloften.

Niet 'doorslaan' naar de andere kant. Gods Woord spoort ons aan altijd waakzaam te blijven tegen dwalingen. Niet in de laatste plaats tegen dwalingen bij onszelf. Want heel gemakkelijk kunnen we bij een goede strijd tegen de ene dwaling doorschieten naar een andere. Dat is gebeurd toen onder ons die 'valse gerustheid' werd vastgesteld. In de strijd daartegen schieten sommigen door en maken ze zich sterk voor een bekerings≠theorie waarin de per≠soonlijke bekering allesbeheersend werd en Gods verbond uit de aan≠dacht verdwijnt. 'Mee-surfend' op een goede strijd plaatsen ze de individuele mens en zijn persoonlijk heil zů sterk in het middelpunt dat al het andere daarbij verbleekt of er in elk ge≠val 'minder toe doet'. Zo devalueert men de centrale plaats van de Woordver≠kondiging in de samenkomsten van Gods volk. Zo wordt men ook blind voor de weelde van Gods Verbond en voor Zijn grote ge≠schenk: de gemeente. Kortom, de manier waarop God met Zijn Geest wil werken krijgt on≠voldoende aandacht en eerbied. Allerlei onderdelen van de christelijke leer en het christelijke leven dreigen nu te worden overwoekerd door dat ene gezichtspunt: 'je bent bekeerd of niet'.

Subjectivisme en individualisme. De nadruk op de mens als (bekeerd) persoon ('het subject') bracht ons weer terug bij wat 'het subjectivisme' wordt genoemd. Daar hadden we in de vrij≠making ook al tegen gestreden - al lagen toen de accenten anders (het subjectivisme kent veel gezichten). Verder is het maar een kleine stap naar het individualisme: jij hebt als be≠keerde een persoonlijke band met God. Maar, als dit alles is, welke betekenis heeft voor jou dan nog het volk van Gods verbond? Of kun je alleen maar verbondenheid voelen met an≠dere bekeerden? Zo ja, hoe herken je die?

Gevoel en beleving. Bij de moderne vorm van subjectivisme legt men veel nadruk op de emoties. De persoonlijke emoties en die welke je met elkaar kunt 'delen'. Ten diepste gaat het echter om iets anders. Startpunt is nl. de persoonlijke bekering en deze vormt de enige leidraad voor jouw manier van geloven ('ge≠loofscultuur') en voor het opbouwen en beleven van gemeenschap met anderen ('gemeen≠schapsvorming'). Het volk van God is dan alleen maar van betekenis als een verzameling van de bekeerden, die bij elkaar komen om samen de individuele bekeringen te 'delen' en te 'vieren'. Dit alles past uitstekend bij het individua≠lisme van de moderne westerse mens. En bij zijn nadruk op eigen beleving en ervaring: hoe hij de dingen voelt en aanvoelt geeft voor hem de doorslag.

Mensgerichtheid. Dit individualisme is 'mensgericht': je bent vooral bezig met wat er diep binnen in jezelf gebeurt, wat jij persoonlijk ervaart, wat jou beroert, meeneemt en blij maakt. Je kijkt 'naar binnen'. Maar in jezelf zul je nooit steun kunnen vinden. Houvast vind je alleen in het overweldigende Woord van onze God waarin Zijn rijke beloften staan.

Eenzijdig. Bovendien is de moderne bekeringstheorie eenzijdig. Want alle nadruk ligt hier op de gevoelens van bevrijding en verlossing, van blijdschap en dankbaarheid. De Schrift leert ons evenwel dat de ware bekering van de mens altijd twee soorten gevoelens kent: oprecht ver≠driet ťn hartelijke blijdschap (Heidelbergse Catechismus - H.C. - Z.33). Zeker, elke gelo≠vige is een blij en dankbaar mens, maar tegelijkertijd blijft hij een zondaar die van genade leeft. Daardoor ben je niet alleen blij maar ook verdrietig. En die dubbele gevoelens maken je ootmoedig en bescheiden. Als jouw zonden je niet bij tijden wanhopig maken ("Ik ellendig mens" Rom.7) besef je ook niet meer ten diepste waarvan je verlost bent en mis je die in≠tense opluchting. Hou daarom je blijd≠schap zuiver voor God. We zijn nog niet in de hemel en moeten ook niet doen alsof. Al te nadrukkelijk 'gejubel' doet zo gauw onecht en oppervlakkig aan - net of je jezelf moet over≠schreeuwen.

 

De mensgerichte bekeringstheorie doet geen recht aan alles wat Gods Woord over de ware bekering zegt. Zij selecteert eigenmachtig bepaalde aspecten van de bekering. Zij verwaarloost wat het Woord openbaart over de rijkdom van verbond en kerk. Mede hierdoor past deze theorie zich in allerlei opzichten te veel aan bij de levensinstelling van de onge≠lovige moderne westerse mens.

 

1.2. Gevolgen voor de individuele persoon. Een andere 'bril'.

 

Beleving en gevoel. Het subjectivisme kenmerkt zich door het (vaak ongemerkt) uitdragen van een bepaalde opvatting over de mens. Staan in de belijdenis bij onze bekering ons hart en onze wil centraal (zie o.m. Dordtse Leerregels - D.L.- III-IV, 11,12), deze bekeringstheorie legt alle nadruk op onze beleving en ons gevoel. Dat betekent een versmalling. Want onze wil omvat veel meer. Die versmalling leert de Schrift ons niet - dus heeft men haar zelf be≠dacht. Maar dat is toch niet de eerbied die God in zijn Woord van ons vraagt? Zo wordt bijv. ons verstand (inzicht, nadenken enz.) hier gemakkelijk gedegradeerd tot een 'koude' en 'af≠standelijke eigen≠schap. Wat doet men dus eigenlijk? Men laat een verschil bin≠nen de mens (tussen verstand en gevoel) de hele manier van geloven en van samen geloven overheer≠sen. Maar dat is nog niet alles. Men gaat verder. Dat inwendige wordt uitgangspunt voor een alomvattende levensbeschouwing die onze werkelijkheid indeelt. We gaan dit stapsgewijs onderzoeken.

Eerste stap: inwendig - uitwendig. Het inwendige is in deze theorie in de eerste plaats mijn binnenste, mijn hart, mijn geest (de functie waar de Geest mij persoonlijk aangrijpt) en bo≠vendien nog wat ik daarvan beleef en voel. Het uitwendige omvat alles wat niet inwendig is, alles wat naar buiten komt, zoals je woorden en je daden. Maar uitwendig is ook alles wat je met je zintui≠gen kunt zien (de wereld om je heen) en alles wat de mensen tot stand brengen zoals orga≠nisaties, de kerk, de staat enz
Inderdaad leert de Schrift ons dat de mens 'van binnenuit' wordt 'gestuurd'. In je hart, je geest, je ziel - dŠŠr vinden de fundamentele keuzen en koersbepalingen plaats. Zo zit de mens 'in elkaar', zo is hij geschapen. Zie bijv. 2Kor.5:12 waar 'uiterlijkheden' geplaatst wor≠den tegenover 'het hart'; en Jac.2:26 waar de werken vergeleken worden met de geest en het geloof met het lichaam. Wie heeft ons echter de toestemming gegeven deze geschapen, menselijke 'bouw' allesbeheersend te maken? De bijbel niet. Helaas vinden velen vandaag dit zo vanzelfsprekend dat ze er niet eens meer bij stil staan. Ze bekijken alles door deze bril en verdelen de geschapen wereld in twee 'werelden': een inwendige en een uitwendige. Conclusie: een alomvattend onderscheid tussen het inwendige en het uitwendige wordt ons nergens geleerd door Gods Woord.

De strijd over deze tweedeling is niet nieuw. Daar ging het bijv. rondom de vrijmaking ook over. Door het subjectivisme werd ook toen al die kern van de mens en wat daar gebeurt tot een alles≠overheersend uitgangspunt gemaakt. Gods genade had alleen maar betekenis voor jou als je (in≠wendig) wedergeboren was. In dat geval was ook je doop alleen maar 'echt'. En zo niet, dan was het in feite een schijndoop. Daarom moest je ookveronder≠stellen dat het kind al vůůr zijn doop wedergeboren was (je wist dat natuurlijk niet zeker - vandaar de veronderstelling). Anders had de kinderdoop geen zin.

Tweede stap: meer en minder belangrijk. Gauw ga je dan een stapje verder. Wanneer alles gaat draaien om de persoonlijke (inwen≠dige) bekering, om mijn individuele verlossing, wordt het andere daardoor automatisch van minder belang, want het is 'maar uitwendig'.

Gevaar voor secularisatie (= wereldgelijkvormigheid). Het maken van onderscheid tussen wat 'belangrijk' en wat 'minder belangrijk' is heeft weer tot gevolg dat het heldere inzicht in allerlei moderne seculariserende tendensen gaat ontbre≠ken. Want die zijn maar 'uitwendig'.

Men kan zich in zijn persoonlijk leven als belijdend christen opstellen (en dat gebeurt gelukkig ook) maar men gaat onvoldoende kritisch om met de indringende geestelijke gevaren die vanuit de ver≠wereldlijkte cultuur, dus van buiten af ('uitwendig') op ons af komen. Deze oordeelsverzwakking leidt ertoe dat ongemerkt onbijbelse ideeŽn en ge≠dachtegangen vaste voet krijgen. Men wordt vat≠baar voor allerlei 'wind van leer' (Ef.4:14), met name voor allerlei wereldse theorieŽn en strategieŽn. Het inzicht en de fijngevoeligheid om te onderscheiden waar het, bijbels gezien, op aankomt (Fil.1:9-10) gaat verdwijnen.

Derde stap: mijn ervaring beslist. Een volgende stap is vaak: wat mij religieus 'goed doet' is voor mij van hoge waarde en al het andere is minder belangrijk. Wat doet mij goed? Wat ik als 'goed' beleef en ervaar, en wat mij 'een goed gevoel geeft'. Aan mijn beleving worden de hoogste normen ontleend. Al het an≠dere is misschien (voorlopig) niet onbelangrijk maar toch niet doorslaggevend. Gods Woord met Zijn beloften is niet meer voldoende, want als ik er niets bij ervaar dan 'zegt het mij niets'. Daarmee wordt in de praktijk de zekerheid van Gods Woord als vaste grond onder mijn geloof op non-actief gesteld.

Dit past precies bij de huidige wereldse waardering. Men wil niet meer weten van een absolute waarheid. De waarheid is subjectief. Een 'christelijke' vertaling hiervan is: wat iemand denkt of be≠weert zegt mij niets. Maar de spontane uitingen van het ge≠voel zijn veel echter, die zijn pas 'au≠thentiek'. Waarom? Omdat je daar minder controle over hebt. De hier beschreven beke≠ringsleer kan daar dankbaar gebruik van maken. Want een ander kan nu wel zeggen dat hij de waarheid ge≠vonden heeft en die aanvaardt (bekering) maar dat overtuigt mij niet. Als hij dat nu eens met zijn gevoelsuitingen aan mij duidelijk zou maken zou dit mij pas echt iets 'zeggen'. Want gevoelsuitin≠gen van een ander spreken mij veel sterker aan dan alleen maar woorden. Ze resoneren bij mij, er vindt 'gevoelsoverdracht' plaats.

Andere waarderingsschaal. Ik beweer niet dat men andere normen invoert of dat men be≠langrijke normen direct maar openlijk opzij schuift. Nee, het gevaar is veel groter. Het gaat nl. om (vaak ongemerkte) ver≠schuivingen in de onze 'waardenschaal'. Onze waardering van al≠lerlei zaken verandert, want de normen voor ons leven krijgen ongemerkt andere accenten. We zouden kunnen spre≠ken van een 'stille omwenteling' of 'stille herwaardering'. Want zon≠der erbij stil te staan gaan we in de gemeente allerlei zaken 'in een wat ander licht zetten'. Omdat dit zo onopvallend gebeurt krijgt krijgen de sociale druk en de onderlinge beÔnvloe≠ding zo'n grote (normatieve) betekenis. Want 'iedereen' voelt het zo aan en dus hoort dat vandaag kennelijk zo.

Gods Woord in geding. De fundamentele verdeling in twee werelden (inwendig en uitwendig) heeft in de gemeente tweespalt tot gevolg. Het meest ingrijpende hierbij is een verschil over de betekenis van Gods Woord. Is het gepredikte, gelezen en gehoorde Verbondswoord 'maar uitwendig' en komt alles aan op het 'inwendige Woord' (het Woord in mijn hart, het Woord dat ik beleef, voel, ervaar)? Of is Gods Woord 'ongedeeld', spreekt God tot mij in de prediking, lezing en overdenking van de bijbel, de heilige Schrift (DL III-IV, 8,11 en V,14). Zijn verder ook de sacramenten 'maar uitwendig' in die zin dat ze zonder bekering geen be≠tekenis hebben (omdat ze de bekering bevestigen)? En is het genadeverbond een realiteit ook voor wie dit verbond verwerpt?

Waar ligt de tweespalt niet? We moeten ons niet laten afleiden van de hoofdzaak: de bete≠kenis van Gods Woord als instrument van de Geest. Want er worden ons als gereformeer≠den ook nog wel andere gebreken voor de voeten gegooid, maar die zijn niet beslissend. Zo hoeft het helemaal niet te gaan om verzet van warme, enthousiaste gelovigen tegen een koude, dorre of ingezonken gereformeerde kerk - al wil men bij ons vandaag de zaken wťl graag zo voorstellen (en ik zal niet ontkennen dat dit soms terecht is).
Al evenmin gaat het vandaag over de strijd tegen het verbondsautomatisme (al komt dit hier en daar helaas bij ons voor). Want ook wie deze dwaling hartgrondig afwijst, aanvaardt daarmee nog niet het schema inwendig - uitwendig. Oprechte gelovigen erkennen allen dat het beho≠ren tot Gods verbond wťl rijk is maar nog niet zalig maakt.

 

Het opdringen aan Gods Woord van een alom≠vattend schema inwendig - uitwendig komt in strijd met dat Woord. Schending van Gods Woord is het hoofdkenmerk van de zonde. De groeiende tweespalt betreft dus onderwerpen van grote betekenis. Ook voor de christelijke gemeenschap.

 

1.3. Gevolgen voor de gemeente..

 

Gemeente 'maar uitwendig'?. Eťn van de eerste slachtoffers van het schema inwen≠dig - uit≠wendig is de christelijke gemeente. Als alles draait om mijn per≠soonlijke bekering is de ge≠meente (prediking, ambtsbediening, samenkomsten, gemeen≠schap enz.) slechts een 'uit≠wendig' middel van de Geest om die bekering in mij te werken en te versterken. Daar≠naast zijn er vele andere 'uitwendige' middelen die voor mij even belangrijk (kunnen) zijn. Als het 'inwendige' de doorslag geeft wordt al het 'uitwendige' in principe 'gelijkwaardig'.
Maar de christelijke gemeente is geen verzameling van bekeerde individuen. Zij wordt in de bijbel beschreven als een afzonderlijk 'lichaam', het lichaam van Christus (1Kor.12:27). Zij is een gemeenschap, een volk (vgl. een gezin) en dus meer dan de som van de leden (1Kor.10:17). In die gemeente, gemeenschap, 'huis van God', hebben zowel vol≠wassenen als kinderen een plaats, zowel levende lidmaten als schijngelovigen. Daarom is ook per≠soonlijke bekering of groeien in het geloof, hoe belangrijk en noodzakelijk ook, geen voor≠waarde om deel te kunnen uitmaken van de gemeente. Christus spreekt immers ook over mensen die eerst enthousiast zijn maar later toch weer afhaken (zie de gelijkenis van de zaaier, Mat.13:5-6 en 20-21). Die mensen maken we toch zelf ook mee?

Concreet kerklidmaatschap 'maar uitwendig'?. Het behoren tot de concrete kerk wordt door het schema inwendig - uitwendig gemaakt tot een kwestie van lagere orde. Want iedereen die bekeerd is hoort eigenlijk daardoor alleen al tot de Kerk (met een hoofdletter, 'de oecu≠mene van het hart'). Bij welke concrete gemeenschap men zich voegt is dan een persoon≠lijke kwestie geworden die op het tweede plan komt. De kerkkeus is dan in theorie niet on≠belangrijk maar wordt als een 'uitwendige zaak' in de praktijk van minder belang ("We moe≠ten niet al te moeilijk doen als iemand zich elders beter thuis voelt").

Zo was het ook al rondom de vrijmaking. Als het van minder belang is bij welke concrete kerk je hoort is een scheuring in de kerk natuurlijk altijd verdrietig maar niet doorslaggevend. Immers, de gelovigen blijven 'in hun hart' aan elkaar verbonden in die ene algemene, on≠zichtbare Kerk. Kerkelijke eenheid is wťl een belangrijk punt maar aan de andere kant zijn er belangrijker onderwerpen. Immers, al die 'kerkelijk-organisatorische' verdeeldheid is maar 'uit≠wendig' en raakt de kern van het bekeerd-zijn niet.

Eigen cultuur. Het individualisme van de bekeringstheorie plaatst de aanhangers voor niet geringe problemen. Want wat moet een individualist nu aan met het vormen en stichten van een gemeenschap? In elk geval komt hij vaak onvoldoende aan zijn trekken in de bestaande gemeente met haar 'randleden', haar ambtelijke organisatie en gereguleerde eredienst. In de praktijk zie je nogal eens dat 'bekeerden' elkaar opzoeken in eigen bijeenkomsten. Daar gaan ze in een heel eigen sfeer ('geloofscultuur') iets 'vieren', elkaar 'opwekken' of samen een 'opwekking' beleven.

 

Deze bekeringstheorie maakt de plaatselijke gemeente minder belangrijk en nivelleert tevens de verschillen tussen de diverse kerken in ťťn plaats. De 'bekeerden' zullen daarom minder moeite hebben met nieuwe ontwikkelingen in de samenhang binnen de gemeente. Die voltrekt zich haast automatisch. Want gelijkgezinden hebben een band met elkaar. De 'bekeerden' willen samen eigen vormen ontwikkelen om de bele≠ving van hun verlossing te 'delen' en uit te dragen. De 'klassieke gereformeerden' ko≠men bijeen om de aanvallen op hun waarden te weerstaan. Partijschappen in een plu≠rale kerk. We zijn op weg naar een verandering van kerk-zijn.

 

1.4. Overzicht.

 

Tot zover de diagnose (globale beschrijving plus beoordeling). Ik ga in het ver≠volg dieper in op enkele onderwerpen die ik zo-even al kort aanduidde. Ook behandel ik andere zaken die m.i. nodig zijn voor een goed verstaan van wat er onder ons gaande is. Omdat de genoemde bekeringstheorie duidelijk de invloed verraadt van 'het evangelische' zal ik daar eerst iets over zeggen (H.2). Daarna behandel ik wat ik zie als een hoofdlijn van het gereformeerde denken (H.3). Mijn doel is onze weerbaarheid als gereformeerden te verhogen. In H.4 on≠derzoek ik de invloed van de evangelische geloofscultuur op onze kerken. H.5 behandelt de bedreigingen van de geestelijke stromingen in de wereld rondom ons en de gevaren die van dichterbij komen (in onze 'eigen' kring). Tenslotte staat In H.6 de vraag centraal waar we naar toe gaan als we de huidige tendensen ongehinderd hun werk laten doen.

 

2Wat is evangelisch?

 

De mensgerichte tendensen in onze kerken krijgen vaak het stempel 'evangelisch'. Ook door de voorstanders. Wat betekent dat? Daar gaan we dieper op in. Het 'evange≠lische' is er in veel soorten en graden. Daarom eerst een korte beschrijving van wat ik op het oog heb als ik in het vervolg de term 'evangelisch' gebruik.

 

2.1. Een paar algemene kenmerken van deze beweging.

.

Het boek van Trimp. In zijn belangrijke boek Klank en Weerklank, door prediking tot geloofs≠ervaring legt Trimp alle nadruk op de prediking van het Woord. Dat is de 'Klank'. DŠŠr begint in de kerk alles mee. Elke geloofservaring is een 'weerklank', een antwoord op die prediking. Die 'weerklank' staat dus nooit op zichzelf en mag nooit verzelfstandigd worden. Van het be≠gin af waarschuwt Trimp tegen het "religieuze individualisme, waarin ten diepste geen plaats is voor de kerk en haar leer".

Evangelische beweging. Hierover gaat het 10e hoofdstuk Je moet dit eigenlijk in zijn geheel lezen. Ik vat hier enkele hoofdpunten in eigen woorden samen.

- a. Moeilijk grijpbaar. Het is een 'beweging' en geen 'organisatie' met statuten of confessies. Ze trekt vaak bij de kerk in en kan zich dan o.m. gedragen als een kritische kostganger. Als 'beweging' krijg je er moeilijk vat op, want het is vaak meer een 'stemming' of 'mentaliteit' dan een systematisch geheel. Theologie en geschiedenis interesseren haar niet zo. Maar als je haar wilt begrijpen moet je als gereformeerde op deze gebieden juist wťl veel werk ver≠zetten. En dan merk je ook dat er grote verschillen bestaan tussen allerlei evangelische stromingen en strevingen.

- b. Activiteiten op veel fronten. Deze beweging laat zich vandaag gelden op veel gebieden, zoals evangelisatie, zending, ethiek, studentenwerk, wetenschap, televisie, hulpverlening enz. Ze doet dat op een aandacht trekkende en vaak agressieve manier. Daarmee spreekt ze ook groepen enthousiaste jongeren aan. Want ze biedt hun een informele en spontane sfeer, waarin ze zich gemakkelijk laten meenemen.

- c. Reactieverschijnselen. Deze stroming(en) kun je het beste begrijpen als een bundeling van reacties op de kerk en op de toestanden daar. Dergelijke reacties zijn er vroeger ook geweest. Vaak onder andere namen en ook met andere accenten - al zijn haar aanhangers zich dit misschien niet bewust (gebrek aan historisch besef).

 

2.2. Historisch overzicht. Korte samenvatting boek Trimp (H.10).

 

2.2.1. De 16e eeuw. De 'radicale reformatie'. Deze zette zich zowel tegen Rome af als tegen de grote reformatie. De reformatoren waren naar haar oordeel halverwege blijven steken. Alles moest nog radicaler worden veranderd. Zo ontstond de doperse beweging met o.m. als kenmerken:- Het kindschap van God berustte op persoonlijke bekering. Daarom weg met de kinderdoop, want deze stichtte alleen maar volkskerken.- Door rigoureuze tucht moest er een 'heilige gemeente' komen.- Geen ambten in de kerk (dat was een overblijfsel van de roomse geestelijkheid). De Geest werkt in de harten van de gelovigen, hun 'geloofsgetuige≠nis' was voldoende.- De wereldlijke samenleving en de staat waren het domein van de zonde. Dus hield men zich vaak afzijdig ('mijding'), wachtend op de toekomst met soms ideeŽn over het 'duizendja≠rig rijk' (chiliasme). Anderen stelden zich juist agressief op en streden voor een complete te≠gencultuur en tegenstaat ('Rijk van God' in Munster).
2.2.2. De 17e eeuw. PiŽtisme. In ons land bekend onder de naam "Nadere Reformatie" (met 'de oude schrijvers'). Verzet tegen de tolerante volkskerk, tegen de dorre prediking en we≠reldgelijkvormigheid. Kenmerken: - Nadruk op individuele heilservaring en op het priester≠schap van alle gelovigen.- Binnen de landelijke 'grote kerk' werd de plaatselijke kernge≠meente van 'echte bekeerden' (conventikel) gevormd. Neiging naar mystiek.
2.2.3. Het methodisme van de 18e eeuw. Dit begon in Engeland als reactie op misstanden in de kerk. Verwantschap met het piŽtisme. Maar ook duidelijke verschillen zoals grote nadruk op wil en daad. Sterk appťl op (vrije) wil van de mens: Kies voor Jezus! Doe het nu! En: Doe het zelf! - Sterk zendingselan.- Oog voor sociaal zwakkeren in de samenleving.- Groot orga≠nisatievermogen, met moderne middelen indrukwekkende projecten opgezet.- Emigranten naar Noord-Amerika namen dit alles mee en stempelden daar de samenleving en de kerken in veel staten.
2.2.4. Grote en kleine 'opwekkingen' in de 18e en 19e eeuw. Vanaf de 18e eeuw in Amerika de opwekkingsbewegingen (revival, rťveil). Het methodisme kwam in revival-vorm terug naar Eu≠ropa. Opnieuw was het een (methodistische) reactiebeweging tegen misstanden in de 'heer≠sende kerk'. Nieuw was dat men zich keerde tegen de opkomende secularisatie en emancipatie (gepropageerd door de Verlichting). Belangrijk is het Zwitsers-Franse Rťveil ten tijde van Afscheiding en Dole≠antie (Groen van Prinsterer, Da Costa, e.a.). Van hieruit richtte men de (eerste) Evangelische Alliantie op (1846). Hiertoe behoorde ook A. Brummelkamp, die als docent werkte aan de Theologische Hogeschool te Kampen

 

2.2.5. Taxatie. Trimp wijst erop dat de evangelische beweging aan de kerk een spiegel voor≠houdt: we kunnen haar 'deugden' niet ontkennen. Alleen maar bestrijding geeft slechts een polari≠satie die zichzelf in stand houdt. We moeten juist in de praktijk laten zien dat ons con≠fessio≠neel-gereformeerde leven de evangelische reactie overbodig maakt.

 

Historisch gezien is de hedendaagse evangelische beweging een nazaat van de stro≠mingen die de echte reformatie van de kerk hebben tegengewerkt of ontlopen. Ander≠zijds moet deze beweging ons gereformeerden dwingen tot zelfonderzoek.

 

2.3. Tekening van de huidige evangelische tendensen.

 

Hiervoor knoop ik aan bij een artikel in Radix van H. de Jong Voorrang van Woord op ant≠woord. Wat is gereformeerd? In het kort geef ik de hoofdlijnen weer van wat hij zegt.
2.3.1. Algemeen. Gereformeerd is de absolute voorrang van het Woord van God op ons ant≠woord van geloof en bekering. Evangelisch is dat in de praktijk het geloofsantwoord meer aandacht krijgt dan het Woord. Zo is in die stroming het gebed (gebedskring) populairder dan de Schriftstudie (bijbelkring).
2.3.2. De doop. Gereformeerd is dat in de doop het beloftewoord van God wordt verzegeld, evangelisch is dat hier het geloofsantwoord van de mens wordt bevestigd.
2.3.3. Verkiezing en voorbeschikking. Gereformeerd is om (overeenkomstig de Schrift) aan beide vast te houden. Bij de evangelischen is het eeuwig be≠houd te veel een zaak van eigen beslissing. Dit kan tot remonstrantse overmoed leiden en tot een prediking die te krampach≠tig en opdringerig wordt. Ook dreigt het gevaar hierbij al≠lerlei kunstmiddelen toe te passen. Alsof de bekering van menselijke inspanning afhangt.
2.3.4. De kerkdienst. Gereformeerd is een eredienst waar uitleg en toepassing van Gods Woord de hoofdschotel vormen. Evangelisch is de Woordverkondiging toe te vertrouwen aan mensen met een beperkte opleiding waardoor de prediking de rijkdom en gevarieerdheid mist. Verder is daar ruime plaats voor 'getuigenissen' (die weer bij het antwoord horen). Deze zijn vaak erg persoonlijk en spreken niet ieder aan. Gods Woord is echter veel gevari≠eerder en rijker dan ons antwoord.
2.3.5. Het zingen. De gereformeerden zingen psalmen, de evangelische bij voorkeur het evan≠gelische lied. Dat laatste is een verlies want die liederen missen de breedte van het le≠ven. De psalmen gaan ook over de schepping, de verdrukking van Gods volk, het zuchten van de ellendigen, de overmoed van Gods vijanden, de pijn van de aanvechting, de wraak van het verbond enz. Toch zijn er ook mooie evangelische liederen. De psalmen zijn gemid≠deld 'donkerder van kleur': meer angst, verlatenheid, vrees voor toorn, wanhoop, schuldbe≠sef enz. Evangelische liederen spreken wel over verlossing maar te weinig over waarvan je verlost wordt.
2.3.6. Verstand en gevoel. Met enig recht kunnen we zeggen: 'gereformeerden zijn meer ver≠standelijk en evangelischen meer gevoelsmatig'. In de Schrift hťťft het verstand echter ook voorrang: het heeft betrekking op het profeteren (zie 1Kor.14:19) d.w.z. stichtend spre≠ken vanuit Gods Woord. Het verstand is ook socialer: je wilt voor anderen verstaanbaar zijn en je niet terugtrekken op "Zo voel ik dat nu eenmaal". Bij de gereformeerden ontstaat te gauw een kilheid. Dan zijn ze gebaat bij de evangelische correctie die de warmte in het ver≠stand terug wil en zo een scheefgroei bij ons bestrijdt.
2.3.7. De plaats van de Heilige Geest. De evangelischen spreken meer over de gaven van de Geest (en vooral over de bijzondere) dan de gereformeerden. De H.C. noemt verras≠send vaak de Geest - zij het meestal onopvallend - maar is dŠt nu juist niet kenmerkend voor de Geest? Hij spreekt niet uit Zichzelf (Joh.16:13,14) en wat Zijn gaven betreft: Paulus waar≠deert het profeteren (concrete toepassing van het Woord) hoger dan het spreken in tongen. De minst opvallende gave, de liefde, voert nog verder omhoog (1Kor.12:31). Ook de troost is een Geestesgave. Over de Geest als Trooster hoor je weinig bij de evange≠lischen, want hun blijdschap is zo overheersend dat er bijna geen plaats meer overblijft voor troost.
2.3.8. Politieke betrokkenheid. Bij de evangelischen is er weinig aandacht voor de politiek. Nu zijn we inderdaad vreemdelingen in deze wereld, maar de wereld gaat ons wťl aan. Soms krijg je de indruk dat al hun politieke belangstelling zich concentreert op IsraŽl (via de leer van het 'duizendjarig rijk').

2.3.9. Taxatie. Ook de Jong zegt bij herhaling dat de evangelischen ons als gereformeerden ont≠dekken aan onze tekorten. Maar hij wijst ook duidelijk aan waar de nadruk op het ge≠loofsantwoord dreigt aan Gods Woord tekort te doen.

 

Eigen conclusies: 1. Bijbels gezien is de evangelische beweging een stroming die geen recht doet aan het geheel van de Schrift. Bepaalde schriftuurlijke waarheden worden uitvergroot ten koste van andere die kennelijk van minder belang geacht wor≠den. Deze eigenmachtige se≠lectie getuigt van gebrek aan eerbied voor Gods Woord en dreigt dat Woord krachteloos te maken. Dat is alarmerend.

2. Anderzijds moet deze stroming ons wakker houden. Ook bij ons zijn verschijnselen als lauwheid en ingezonkenheid. Ook alarmerend. Een voorbeeld: deze bro≠chure richt zich niet alleen tegen de evangelische beweging maar ook tegen de ontstellende on≠verschilligheid waarmee we die stroming onder ons laten voortwoekeren.

 

2.4. Eigen beschouwingen..

 

2.4.1. Problemen met het sociale.
Door hun sterk individueel gerichte bekeringstheorie vormt het opbouwen van een hechte sociale structuur (met o.a. de ambten) voor de evangelischen een probleem. Toch zie je bij hen allerlei pogingen om sociale samenhang te krijgen. Hoe zien die er uit?
Algemeen tonen ze betrokkenheid en vriendelijkheid, kortom, ze stellen zich sociaal positief op, maar dat is geen kenmerk van de evangelischen.
Meer specifiek zie je pogingen tot grotere sociale samenhang door o.m. allerlei manieren van gemeenschappelijk bidden (soms in de vorm van demonstraties), samen zingen van be≠paalde liederen, houden van opwekkingsbijeenkomsten, ervaren van bijzondere belevingen die dan onderling 'gedeeld' worden, uitdrukken van gevoelens in allerlei lichaamsbewegin≠gen, doorschieten naar het charismatische (en wel vooral streven naar een paar bijzondere gaven, zoals tongentaal).
Armoede. Vergeleken met de eredienst waar het volk vergaderd is om zijn Heer in Woord, gezang en gebed te ontmoeten vertonen al deze pogingen om sociale samenhang te krijgen een zekere armoede. De eredienst toont ons juist onze rijkdom als volk van God. Dat vraagt om een eigen stijl met de daarbij horende discipline. Onze rijkdom ontlenen we aan het ge≠nadeverbond, dat we weer ontdekt hebben rondom de vrijmaking. Bij de evangelischen wordt juist deze weelde niet of onvoldoende beseft en beleefd.
En wat de verhouding tussen individueel en gemeenschappelijk betreft: Als we ons kerkelijk leven inrichten naar en rondom het Woord krijgen we vanzelf een 'natuurlijk' evenwicht tus≠sen de meer individuele en de meer gemeenschappelijke aspecten.

Kijk bijv. naar de kinderdoop. De positie van het kind wordt volledig bepaald door de gemeenschap waarin het is geboren: het volk van God, geboorte uit gelovige ouders. Daaruit vloeit een recht op de doop voort. De doop zelf is een individueel gebeuren: dit bij name genoemde kind ontvangt het sacrament. De gemeente kijkt toe, wordt herinnerd aan haar eigen doop en neemt het kind in haar midden op. Het dankgebed wordt weer in≠dividueel als gevraagd wordt om Gods genadige zorg in de toekomst voor Zijn kind.

 

2.4.2. Geen vrijblijvende beleefdheden.
Ik vind dat er vaak te gemakkelijk gezegd wordt 'dat we willen leren van de evangelischen'. Want wat willen we nu precies van ze leren? Een vage bereidheid is altijd goedkoop. Zijn wij als gereformeerden te kil? Bevat onze prediking te veel dorre dogmatiek? Wie elke dogma≠tiek ontwijkt moet zoiets wel zeggen, en ik zal niet beweren dat hij altijd ongelijk heeft. Zijn we te weinig betrokken op anderen buiten de kerk? Kortom, welke concrete winst levert de evangelische spiegel nu eigenlijk op voor onze zelfkritiek?

Leren is iets anders dan nadoen. Wat we helemŠŠl niet moeten hebben is kritiekloos allerlei gebruiken uit de evangelische geloofscultuur in ons kerkelijk leven overnemen. Dit 'uitwen≠dige' nadoen zouden de evangelischen zelf ook niet moeten willen. Daardoor worden we niet 'gereformeerder' maar alleen aan de buitenkant wat 'evangelischer'. En dat dreigt vandaag te gebeuren. Vaak als een uiting van een soort 'weg met ons' mentaliteit, waarbij niets ons te dol is als het maar anders is. De meest radicalen winnen het dan altijd. Mijn zorg is dat deze smakeloze veranderingsdrang op een effectieve manier kapot maakt wat we nu juist als waardevol moeten bewaren. Kritiek op onszelf is uitstekend, maar als we gereformeerd wil≠len blijven, moeten we ons 'van binnen uit' reformeren. Dat betekent direct al dat we moeten beginnen met absolute eerbied voor God en Zijn Woord. Op dit punt zijn de evangelischen voor ons helaas geen voorbeeld.

Twee fronten. De evangelische beweging strijdt van oudsher op twee fronten: het eerste is de 'gevestigde kerk', die verstard en vervallen is en waar een frisse wind moet gaan waaien. Het tweede is de wereld die ons voortdurende beÔnvloedt. In die wereld moeten we staan en werken en dŠŠr ons geloof uitdragen. Deze fronten zijn als zodanig juist. Ze hangen natuur≠lijk nauw samen omdat de kerk voortdurend het gevaar loopt wereldgelijkvormig te worden. Het is van levensbelang om waakzaam te blijven. Maar dan rijst de vraag: Kan de huidige evangelische beweging diensten bewijzen bij die waakzaam≠heid? We zullen dat later onder≠zoeken.

 

2.4.3. Evangelisch georiŽnteerden in ons eigen midden.
Variaties. Het meest intensieve contact met de evangelische beweging vindt plaats met die aanhangers die in ons eigen midden vertoeven. Bij hen zien wij de evangelische invloed in al≠lerlei gradaties en vormen. VariŽrend van medegelovigen die sommige gebruiken uit de evangelische geloofscultuur wel aantrekkelijk vinden tot hen die erop uit zijn deze geloofs≠cultuur 'met huid en haar' in ons midden uit te dragen en in te voeren. De ijver van de laat≠sten herinnert aan de gedrevenheid kort na de vrijmaking toen we ons eigen gereformeerde leven wilden op≠bouwen.

Leren van de inzet. De sterk evangelisch georiŽnteerden in ons midden vallen op door hun activiteiten, hun enthousiasme, hun offeren van tijd en energie, hun betrokkenheid. Het zijn 'activisten' die 'in' zijn voor allerlei ondernemingen binnen de kerk, die voor veel zaken te porren zijn, daarbij het voortouw nemen en er hun stempel op drukken. Van hun inzet kun≠nen we leren. Ze hebben een 'missie' die ze met verve vervullen.

Leren van hun openheid. Een ander leerpunt voor ons is de vrijmoedigheid waarmee ze praten over hun geloof. Ze stralen een gedrevenheid uit die aanstekelijk zou moeten wer≠ken. Ze schamen zich het Evangelie niet. Dit is verkwikkend midden in allerlei terughou≠dendheid, sleur en gemakzucht bij anderen.

Wat hun optreden binnen de gemeente weer schaadt is het feit dat hun openheid en gedrevenheid soms ontaarden in drijven en opdringerigheid. Dit is wellicht eigen aan hun pioniersmentaliteit. Op onverhoedse confrontaties met evangelische eigenaardigheden zit niemand te wachten.

Thuis in de kerk? Het is begrijpelijk dat die gedreven gelovigen zich graag nestelen in de kerk. Vooral wanneer en zolang ze daar voldoende ruimte krijgen. Want, zoals we al zagen, in principe is de evangelische bekeringstheorie individualistisch. Dan is het veel veiliger die bekering te beleven binnen een bestaande structuur.

De beschuldiging van 'parasitisme' zou voor de meesten onbillijk zijn. Maar de diehards onder hen vertonen er toch wel een paar trekjes van. Zo zijn er parasieten die hun eigen gastheer vernietigen en soms dan zelf ook te gronde gaan. Vertaald: als die diehards in alles hun zin krijgen is de gere≠formeerde kerk verdwenen en zijn ze hun veilige structuren kwijt.

Overdrijving nodig. Om hun kritiek op 'de kerk' te rechtvaardigen moeten ze hun bezwaren vaak wťl wat aandikken. Ik hoor veel gezonde gereformeerde preken. Natuurlijk hebben an≠deren altijd wel ergens gelijk met hun bezwaren tegen dorheid en ingezon≠kenheid enz. Ik heb er geen enkele behoefte aan ons leven over de hele linie te verdedigen. Onverschillig uit welke hoek er bezwaren komen - als ze terecht zijn moeten we ons erdoor laten gezeggen.

 

Tegen het leven van veel gereformeerden (ook hun leven in de kerk) kan terecht be≠zwaar worden gemaakt. Er is ingezonkenheid, gearriveerdheid, het gebrek aan elan, aan inzet enz. Dit soort kritiek, van wie ook afkomstig, moeten we ons altijd aantrek≠ken. Op het punt van vrijmoedig praten over het geloof kunnen we van de evangeli≠schen nog veel leren. De gereformeerde eredienst raakt echter in verval omdat en in zoverre de evangelische ge≠loofscultuur daarin een plaats krijgt

 

 

3Wat is gereformeerd?

 

"Gods Woord gaat vůůr alles". Willen we tegenover de evangelischen ernst maken met deze belijdenis, dan zullen we moeten beginnen met een onderzoek naar de bete≠kenis en plaats van dat Woord. Verder moeten we weten welke invloeden uit de aardse schepping op ons afkomen. Tenslotte moeten we nagaan wat de zonde betekent en hoe deze werkt. Al dit onderzoek is nodig willen we op een actuele en bijbelse manier nagaan wat vandaag 'gereformeerd' is.

 

3.1. De unieke betekenis van het Woord.

 

Dienst. Het christelijk denken over onze werkelijkheid staat in het teken van de dienst. Want God heeft de overige aardse schepping bestemd voor dienst aan de mens, zodat de mens zijn God kan dienen (Nederlandse Geloofsbelijdenis - N.G.B.- art.12). Deze 'getrapte dienst' is voor de kinderen van God rati≠oneel, normaal en vanzelfsprekend. Hoe wij als mensen God moeten dienen kunnen we niet zelf bepalen maar moeten we leren uit Gods Woord.

God heeft Zijn schepping zů gemaakt dat Zijn Woord aan de mens nodig is om haar te bewerken en tot haar bestemming te laten komen.

Conclusies: 1. Het geschapene (en dus ook de mens als schepsel) is aangelegd op de leiding van het Woord.
†††††††††††††††††††† 2. Het Woord veronderstelt het geschapene zoals het is aangelegd.

Dit uitgangspunt eerbiedigt de aard van het geschapene en dus ook de geschapen aard van de mens. Het eerbiedigt tevens de plaats van God en de alles≠beheersende betekenis van Zijn Woord. Alleen dat Woord laat ons zien waar het gescha≠pene voor dient, wat de beteke≠nis en de zin daarvan is en wat we ermee moeten doen. Ver≠werpen we dat Woord dan res≠teren ons slechts twee mogelijkheden om ons te oriŽnteren: ůf het geschapene zelf ůf/en een door ons bedachte valse religie als surrogaat van het Woord. De religie van de westerse wereld is die van de autonome mens, hijzelf is 'de maat van alle din≠gen'. Hij heeft zelf be≠dacht dat hij zichzelf tot god zal zijn.

De mens als schepsel. Wat eveneens alle aandacht moet hebben is dat we, sprekend over 'de schepping', het ook hebben over onszelf. We zijn als schepsel toegerust met een reeks scheppingsmogelijkheden om daarmee (mťt de rest van de schepping) God van dienst te zijn. Voor die dienst is het dus nodig dat we niet alleen de overige schepping onderzoeken en kennen maar vooral ook onszelf. Want we zijn geen 'voorgeprogrammeerde automaten' (zoals de materie, de planten en de dieren) maar verantwoordelijke gebruikers, die reken≠schap aan onze Schepper zullen moeten afleggen.

 

3.2. Nader over Rijk, Woord en schepping.

 

Drie 'delen' in de aardse werkelijkheid. Belangrijk voor onze dienst aan God is dat we uit Zijn Woord goede onderscheidingen afleiden. Een hoofdonderscheiding die ons hierbij kan hel≠pen is die tussen Rijk, Woord en schepping als drie 'delen', dimensies, gegevens, heersende gezichtspunten bij onze omgang met onze aardse werkelijkheid.

Voorbeeld. Geen enkele vergelijking is vlekkeloos maar neem nu eens een aards rijk. Waardoor wordt dit gekenmerkt? 1. Er is een overheid die regeert over een land (de grond, de 'bodem'). 2. Zij doet dat door en krachtens wetten en 3. zij voert een beleid om bepaalde doelen te bereiken. Zo is God ('overheid') de Schepper en onderhouder van 'het land' (hier: Zijn aardse schepping, Zijn Rijk op aarde). Hij spreekt Zijn Woord tot de beheerder (de mens), vergelijkbaar met de wetten (al om≠vat het Woord veel meer). Tenslotte regeert Hij alle gebeuren in Zijn Rijk zů dat Zijn plan ('beleid'), Zijn raad, wordt uitgevoerd en Zijn doel wordt bereikt.

Begripsbepaling. Eerst moet helder worden waar we het precies over hebben.
-Schepping. Ik bedoel daarmee het aardse geschapene. Daarnaast is er nog de hemel als geschapen woonplaats. 'Schepping' is dus niet de daad van het scheppen maar het resul≠taat: het geschapene. Gemaakt door God en door Hem onderhouden.
- Woord. Ik bedoel hiermee het Verbondswoord dat God tot de mens gesproken heeft nadat Hij hem had geschapen. De term 'Woord' komt in de Bijbel ook in andere betekenissen en verbanden voor. Ik denk dat de ene betekenis mede bepalend is voor de andere. Zo is er het Woord van God waardoor Hij alles heeft geschapen (het scheppende Woord). Ook wordt Christus 'Het Woord' genoemd. Het onderhouden van het geschapene vindt ook plaats door het Woord (Hebr.1:3). Dat hier steeds van 'Woord' wordt gesproken wijst al op onderlinge samenhang. Daarop ga ik niet verder in.

- Rijk. God is de Eigenaar en de Koning. Alles valt onder Zijn heerschappij. Steeds als Schrift en belijdenis spreken over 'regeren' hebben we te maken met Gods Rijk. Zie o.m. Heidelbergse Catechismus - H.C.- Z.9 en 10 waar het gaat over Gods regering van de schepping en van het gebeuren (= wat er in en met de schepping plaats vindt). Ook de zon≠digende medemens komt in beeld in antw. 28: want geen schepsel zal ons scheiden van de liefde van God, Die alles in Zijn Va≠derhand houdt. Zie ook N.G.B. art.12: God regeert alle schepselen door Zijn voorzienigheid en eeuwige kracht.
Daarnaast regeert God 'ons' door Zijn Woord en Geest (H.C. Z.48). Hij heerst over Zijn volk, de gemeente. Er zijn dus direct al twee aspecten van Gods regering: heersen over het ge≠schapene en heersen over het verbondsvolk (de burgers van het nieuwe Rijk). In beide zijn ook de Zoon en de Geest betrokken. Maar het middel waarmee Hij over het verbonds≠volk regeert is uniek: het is Zijn verbondswoord. Regeren gebeurt altijd in het kader van een be≠leid. God voert ermee zijn raad uit. Zie uitvoerig hierover N.G.B. art.13. Een onderdeel van Zijn regering is de rechtspraak: als Rechter verhoort, vonnist en straft Hij.

Zoals bekend spreekt de Schrift op twee manieren over het Rijk. Eerst is daar Gods Rijk als de heerschappij over alle dingen en daarnaast is sprake van een Rijk dat bezig is te komen maar nog niet voltooid is. Mattheus noemt dit meestal 'het koninkrijk der hemelen'. Over dat Rijk bidden we als we vragen 'Uw koninkrijk kome'. Van dit nieuwe Rijk zijn Christus en God de Koning (Ef. 5:5) en zijn wij vandaag als kerk, als gemeente de burgers (Filip.3:20). Ook Christus treedt op als de Rechter. Hij zal het koningschap tenslotte aan de Vader overdragen (1Kor.15:24-29). Het is een nieuw Rijk dat het oude in zich opneemt, vernieuwt en tot volheid brengt, want alle dingen zullen nieuw worden. Ik ben niet in staat dit alles goed te verwoorden. Als ik spreek over het Rijk in het al≠gemeen heb ik het over bestaande ťn over het vernieuwde Rijk dat bezig is te komen.

 

3.3. De situatie vůůr de val.

 

Adams positie direct na de schepping. Nadat God de mens had geschapen sprak Hij tot hem Zijn Woorden. Woorden met zegenende kracht maar ook met aanwijzingen, eisen en belof≠ten. Adam kon niet zonder die Woorden. Want het geschapene is een onvoorstelbaar com≠plex geheel. We onderzoeken het al eeuwen en doen telkens nog nieuwe ontdekkingen. Al die verbazingwekkende mogelijkheden maken ons steeds weer klein en eerbiedig. Wat moest Adam met dit overweldigende, prachtige, maar erg ingewikkelde 'systeem' beginnen? Dat vertelde God hem in Zijn Woord en in het dagelijkse werkoverleg. God begon eenvou≠dig: Adam moest namen geven en werken in de hof. Welke namen? Adam doorzag de bete≠kenis van de andere schepselen en gaf namen die daarmee overeenstemden. Hij was het evenbeeld van God en zijn inzicht was niet verduisterd. Wat hij zei over het geschapene was waarheid over de werkelijkheid. Zů als hij het noemde, zů was het ook (Gen.2:19). Er was daar en toen in het paradijs nog geen leugen.

Een nieuwe werkelijkheid. We kunnen het ook anders zeggen: door het Woord komt er voor het schepsel mens een nieuwe werkelijkheid bij, de speciale omgang met God, de werkelijk≠heid van het verbond en van het Woord met zijn beloften, dreigingen, verboden, opdrachten, vergunningen, informatie over God, over de hemel enz. Het Woord tilt de mens uit boven de bestaande ge≠schapen werkelijkheid en geeft daar betekenis aan. Het Woord is de waarheid. Willen we daarom over de totale werkelijkheid waarin wij vandaag leven naar waarheid iets zeggen dan hebben we het Woord nodig.

- Dit is minder ingewikkeld dan je zou denken. Stel we zijn op reis zien in onze tweedimensionale werkelijkheid een wirwar van wegen. Maar welke weg is nu de goede, die ons bij ons doel brengt? We pakken de kaart. Die geeft ons overzicht ('tilt ons er boven uit'). We krijgen er een dimensie bij en wel een blik van bovenaf. Daardoor zien we in ťťn oogopslag ons begin- en ons eindpunt. We krijgen nu inzicht in onze situatie. Die kaart is onze 'hogere' norm. Die wijst ons de goede weg, want die geeft betekenis aan al die wegen met het oog op ons doel.
- Algemener gezegd: de mens die zich een weg zoekt in het geschapene heeft een 'openbaring' nodig, een informatie uit een hogere Bron, die hem de waarheid vertelt over het begin van alles (Genesis) en over het einde (Openbaring aan Johannes). Die hem ook het doel van zijn weg laat zien en daarmee de betekenis van wat hij tegenkomt. Die positie heeft Gods Woord vanaf het begin altijd gehad..

Het proefverbod. Van de vrucht van ťťn boom mocht de mens niet eten. Dat lag niet aan die vrucht als zodanig, dat berustte alleen op de waarheid die Gods Woord over die vrucht had gesproken. Daardoor had die vrucht en speciale plaats gekregen in de werkelijkheid van het verbond. Dit eet-verbod was echt niet moeilijk. Afblijven van die vrucht was ook helemaal geen opoffering voor de mens. Er waren elders vruchten genoeg. Die verboden vruchten wa≠ren ook niet giftig, ze oogden mooi en smaakten kennelijk ook niet vies. Maar het Woord had ze een speciale betekenis gegeven. Want door ervan af te blijven gaf de mens te kennen dat hij God wilde dienen overeenkomstig Zijn Woord. Hoe simpeler dat verbodswoord, des te duidelijker zou het voor iedereen worden dat het nemen en eten van die vrucht een openlijke daad van opstand zou zijn.

 

Het schepsel mens kon niet buiten 'leiding van hogerhand'. Met het proefverbod kreeg hij de keus om op een eenvoudige en 'zintuiglijk waarneembare' manier ůf te belijden dat hij God als de Hoogste bleef erkennen en Hem wilde dienen naar Zijn Woord ůf metterdaad uit te spreken dat hij tegen Hem in opstand kwam.

 

3.4. De zondeval

 

Waar ging het om? De satan heeft de mens verleid met misinformatie, met woorden die be≠doelden Gods Woord te ontkrachten. Hij bracht de leugen in het paradijs. De mens heeft daaraan gehoor gegeven. Tegenover de waarheid over het geschapene kwam voortaan de leugen te staan. Ook in het spreken van de mens, want zijn woorden werden onbetrouw≠baar. We zetten de betekenis van de val op een rij:
-
Rijk. De mens wilde als God zijn en zelf bepalen wat goed en kwaad was. Dus niet langer beeld van God (lijken op Hem) maar zťlf een god. Als burger van het Rijk kwam hij in op≠stand tegen de Koning. Een rebel dus met de claim van autonomie (= zelf eigen wetten vaststellen). Hier ligt de oorsprong van de mens als 'maat van alle dingen'.

- Woord. De val was geen opwelling, zo in de geest van "toch even proberen", maar een welbewuste verachting van Gods Woord. De betrouwbare openbaring van God werd eerst ter discussie gesteld en daarna ingeruild voor mooi-klinkende valse woorden. God werd tot een leugenaar gemaakt en de mens wilde zijn eigen 'waarheid' maken. In werkelijkheid (d.i. getoetst aan het Woord) werd hij een slaaf van de satan, die de vader van alle leugen is.
- Schepping. Het schepsel mens vergreep zich aan het geschapene: hij wilde naar eigen goeddunken beschikken over de mogelijkheden van de schepping, inclusief eigen gescha≠pen functies. Het ging dus bij de val om (het beheer van) de schepping. Met behulp van zijn geschapen mogelijkheden bond hij de strijd aan met God en Zijn ware Woorden. Het kom≠pas van het Woord verving hij door eigen inzichten en verlangens. Hij zou zelf de schepping wel regeren en de hele gang van zaken naar zijn hand zetten.

Leugen tegenover waarheid. Wat heeft de val radicaal veranderd?. De leugen is in het leven van de mens gekomen. De leugen zou voortaan tegenover de waarheid komen te staan. Hoe werkt de leugen ten diepste? Hij 'hemelt de mens op' als een god die vol goede en ge≠weldige capaciteiten zit en die heel goed zelf kan bepalen hoe hij deze wil gebruiken. En in≠derdaad, de mens hťťft veel scheppingsmogelijkheden meegekregen. Veel inzicht, scherp≠zinnigheid, verstand, toekomstvisie enz. Daarnaast heeft hij allerlei begeerten, gevoelens, driften, drangen tot beheersing en tot zelfontplooiing. De grote verleider heeft dus veel 'poten om op te staan'.

Op deze punten sluit ik me aan bij drs. E.W.Schaeffer-de Wal Het Koninkrijk van God als absolute eigentijdse werkelijkheid in Radix 1993. Zij reikt begrippen aan die ik hier dankbaar gebruik. Zelf publiceerde ik over Woord en schepping in Lucerna 1959.

Samengevat is de zondeval het welbewust verachten van Gods Woord door de op≠standige mens met het doel voortaan het geschapene naar eigen inzicht (autonoom) te gebruiken.

 

3.5. Het grondpatroon gehandhaafd.

 

Bestaand 'schema' bleef. Uit wat het Woord ons openbaart over de gevolgen van de zonde≠val weten wij dat God Zijn Verbondswoord is blijven spreken. Nu ůůk en vooral als Woord van genade en verlossing in Zijn Zoon. Verder handhaaft God Zijn Rijk en heerschappij. Tenslotte heeft God Zijn schepping bewaard.

 

De zondeval heeft op geen enkele manier het oorspronkelijke 'schema' van Rijk, Woord en schepping ontkracht. Integendeel, het is onverkort blijven gelden.

 

- Woord en schepping komen we op verschillende plaatsen in Schrift en belijdenis tegen. Let wel: hier wordt steeds gesproken na de zondeval. In psalm 19 worden beide genoemd als sprekend van de Vader. Zie ook psalm 93. In Op.4 komt de mens twee keer voor: als schep≠sel in het derde dier en als vertegenwoordiger van het verloste volk in de oudsten. De Ne≠derlandse Geloofsbelijdenis (N.G.B.) noemt beide als de twee middelen waardoor wij God kennen (art. 3: 'de hele wereld' en het 'heilig en goddelijk Woord'). Het eerste gebod houdt ook in dat ik eerder alle schepselen moet prijsgeven dan dat ik ook maar het geringste doe tegen Gods wil. Zie H.C. Z.34. Ook ons denken is een vorm van 'doen', evenals ons spre≠ken, ons handelen en nalaten, onze fantasie, streven, voelen enz. Gods Woord moet al≠tijd en overal voorrang hebben. Pas daarna komt de schepping aan bod.

- Het Koninkrijk van God. God regeert over het geschapene. Deze regering wordt hier speci≠aal in verband gebracht met God de Vader (zie o.m. ook H.C. Z.52). Van Christus wordt ge≠zegd dat de Vader door Hem alle dingen regeert (H.C. Z.19).
Daarnaast regeert God ons, gelovigen, door Woord en Geest. Dat doet Christus als koning (H.C. Z.12) en ook vragen we dat van de Vader (H.C. Z.48). Vandaag zijn ook wij al konin≠gen en straks zullen we met Christus over alle schepselen regeren (H.C. Z.12).

Het Woord is onontkoombaar. We hebben als mens geen keus. We leven 'automatisch' on≠der het beslag van Gods Woord. Naar dat Woord zullen we geoordeeld worden. Alles wat we doen is toetsbaar aan dat Woord - of we dat nu willen of niet. Of we dat Woord ook seri≠eus moeten nemen!

 

Eerste conclusie: we moeten ons zeer intensief en gelovig-betrokken bezig houden met het Woord van God. We moeten het onderzoeken, 'bevragen', op ons in laten wer≠ken, eerbiedig ernaar luisteren en aan de gehoorzaamheid aan het Woord absolute voorrang geven.

Tweede conclusie: we moeten nauwkeurig onderzoeken wat tot het geschapene be≠hoort. En daarbij vooral letten op het geschapene bij en in onszelf: op onze drangen, begeerten, gevoelens, gedachten, woorden, daden enz. Want we zijn prachtig gescha≠pen maar de leugen gebruikt dat alles om ons tot zonde verleiden.

In verband hiermee zouden we het slot van antw. 94 (H.C. Z.34) nog algemener kunnen formule≠ren, en wel als volgt: Ik moet eerder al het geschapene, inclusief mijn eigen wensen, gedachten, gevoelens, enz. prijsgeven, dan ook maar het kleinste deel van Gods Woord negeren.

3.6. Het geschapene.

 

Wat hoort daar toe? De schepping is een kunstig bouwwerk met duizelingwekkend veel mo≠gelijkheden. De mens is de kroon op dat werk. Maar hij gaf de leugen een plaats en die ver≠leidt hem voortdurend alles te bereiken wat hem goed lijkt. De gelovige kent daardoor steeds weer een felle tweestrijd. Wil hij luisteren naar het Woord dan moet hij scherp letten op zich≠zelf als schepsel, want zijn scheppingsdrangen en -mogelijkheden kunnen levensgevaarlijk zijn. Waar moet de mens dan op letten? Ik doe een greep.

- Macht. Op zich niet fout, want bijv. zelfbeheersing is niet anders dan macht over jezelf. Maar ook is er de macht van het geld, economische macht, militaire macht, de macht van grootse gedachten, van meeslepende woorden. Als scheppingsgegeven is macht neutraal, maar het gebruik ervan niet, want dat kan aan normen (het Woord) worden getoetst.

- Organisatie. Een middel tot macht. De schepping zelf is een perfect georganiseerd geheel met deel-organisaties. Zo zijn er dierenvolken met een hoge organisatie-graad. Het georga≠niseerd-zijn is dus een scheppingsgegeven. De mens kan de organisatie van mensen en dingen modelleren al naar het doel (bedrijf, staat, leger, kerk, gezin enz.). Daardoor kan hij de organisatie ook misbruiken.

- Taal. Ook dieren geven signalen. Maar de mens gebruikt en ontwikkelt de 'echte' taal. God komt in Zijn Woord naar ons toe in onze taal en wij kunnen Hem daarin antwoorden.

- Abstract-logisch denken. Niet bij dieren. Door zijn denken kan de mens in meer abstracte zin iets beheersen. Hij ontwikkelt denkstelsels en theorieŽn. Wat hij dan doet is het 'organi≠seren' van zijn kennis over de werkelijkheid en hij doet dat zů dat hij verder kan komen. Het denken wordt echter misbruikt als het stelsel alleen moet dienen om de denker logisch te bevredigen, zoals in het schema inwendig - uitwendig gebeurt.

- Vitaliteit. Vooral jongeren hebben (net als jonge dieren) veel energie en enthousiasme. Ze willen alles weten, alles proberen, alles meemaken. Het gevaar is dat ze onberaden van al≠les aanpakken of dat anderen hen 'bespelen' en te gemakkelijk 'meenemen'.

- Driftleven. Ook bij dieren. Seksualiteit, agressie, overlevings-, territoriumdrift enz.

- Gevoel. Ook bij dieren. Is als drijfveer erg krachtig maar ook gevaarlijk. Niets is bedrieglij≠ker dan gevoel. Een goed of slecht gevoel ('stemming') neemt je gauw helemaal in beslag en kleurt dan alles wat er verder op je af komt. Heb je dus ergens een 'goed gevoel' bij, dan sta je bij voorbaat positief tegenover vrijwel alles wat je verder nog wordt aangereikt. Eva kreeg ook 'een goed gevoel' toen ze naar de verboden vrucht keek (Gen.3:6).

- Sociale behoeften. Zijn heel fundamenteel. Ook bij veel dieren. We worden als mens auto≠matisch in sociale verbanden geplaatst en zijn daar in hoge mate afhankelijk van. We willen ook graag ergens bij horen en dat kan gevaarlijk zijn omdat andere mensen ons dan sterk kunnen beÔnvloeden - ook ten kwade.

- Nutsstreven. In 'primitieve vorm' ook bij dieren. Bij een overweldigend aanbod aan moge≠lijkheden worden we gedwongen steeds afwegingen te maken. Vaak is dan het nut ons crite≠rium en op zich is daar niets mis mee. Maar er zijn meer criteria. Een goed doel maakt niet elk middel goed, ook al is dit middel nog zo nuttig.

- Liefde. Kent veel aspecten. In de dierenwereld zien we bijv. emotionele en 'geprogram≠meerde' bindingen tussen ouder(s) en jongen. Soms ook duurzame bindingen tussen part≠ners. De ver≠diepte binding die we 'liefde' noemen hoort typisch bij de mens.

- Zingeving. Is typisch menselijk, want je moet dan uitstijgen boven al het overige gescha≠pene en hogere doelen kiezen. Toch zijn veel ideologieŽn op het geschapene gericht of op een deel ervan. Bv. op het sociale, op het economische. Die krijgen dan een religieuze bete≠kenis. Juist hier is de satan actief en slaat de zonde (als afval van het Woord) toe.

 

3.7. Algemene kenmerken van het geschapene.

 

We willen de volgende noemen:

- 1. Het is als zodanig neutraal, in die zin dat het vanuit Gods Woord bezien niet goed en niet slecht is. De zonde zit niet in het geschapene, dus niet in de dingen, driften, zintuigen en alle andere functies. Alles is 'goed' geschapen, d.w.z alle eigenschappen pasten perfect bij het doel en de rol binnen het grotere geheel.

- 2. Het kan door de mens op twee manieren worden gebruikt: ten goede of ten kwade. We zagen al eerder dat het gebruik altijd automatisch toetsbaar is aan het Woord. Omgekeerd kunnen we deze 'dubbele bruikbaarheid' benutten als een aanwijzing dat we met een schep≠pingsmogelijkheid te maken hebben.

Een andere aanwijzing is dat een bepaalde functie of eigenschap ook bij de dieren wordt aange≠troffen. Vandaar dat we dit hierboven ook steeds hebben vermeld. We moeten bedenken
1. dat we soms overeenkomstige eigenschappen bij de dieren anders noemen; 2. dat de mens ook geschapen functies heeft die de dieren missen (zoals bijv de drang naar zingeving).

- 3. Het geschapene is 'gevaarlijk', in die zin dat de geschapen 'drangen' ons zomaar ertoe kunnen brengen ze voorrang te geven boven de gehoorzaamheid aan het Woord of (veel subtieler) ze te gebruiken met de bedoeling om God te dienen terwijl we daarmee intussen aan het Woord te kort doen. Om dit laatste te voorkomen is grote schriftuurlijke fijngevoelig≠heid en zorgvuldigheid nodig. Straks meer hierover.
- 4. Het is 'bewerkbaar'. Vooral de mens is in staat het geschapene te benutten voor zijn ei≠gen doelen. Zijn producten kennen ook vaak die 'dubbele bruikbaarheid'. We zeggen van grote ontdekkingen dan: 'ze zijn een stap naar de hemel ťn een stap naar de hel'. Soms wordt de schepping zů door de mens bewerkt dat het product slechts de zonde van de ma≠ker uitstraalt en alleen maar verkeerd kan worden gebruikt. Ik denk dan o.m. aan gods≠laster≠lijke taal (eventueel verpakt in kunst), aan pornografie, bepaalde gifgassen enz.

 

Samenvatting en conclusie. Gedegen kennis van het geschapene is nodig voor een gehoorzame en eerbiedige omgang met het Woord. Tot die kennis behoort in de eer≠ste plaats 'zelfkennis', d.w.z. weten wat wij als schepsel en geredde zondaar aan scheppingsmogelijkheden 'in huis hebben'. Omgekeerd kan goed luisteren naar het Woord ons veel leren over de om≠vang en de plaats van het geschapene en over ons≠zelf als schepsel.

 

 

4..Evangelische invloeden in de gemeente.

 

Het nieuwe Rijk omvat een 'schare die niemand tellen kan'. Die grote menigte van Gods kinderen wordt op deze aarde en in deze bedeling verzameld. Daarvan mogen we al iets zien in de plaatselijke gemeente als lichaam van Christus. Ze is daarom kostbaar en dus ook kwetsbaar. Wat doen evangelische invloeden met de gemeente: aanwinst of bedreiging?

 

4.1. De ik-cultuur in de kerk.

 

Twee stellingen. Na het voorgaande zijn de volgende stellingen geen verrassing meer:
1. De wereldse ik-cultuur, als streven naar persoonlijke autonomie, kan rechtstreeks herleid worden tot de zondeval en vormt een bedreiging voor de gemeente.
2. De mensgerichte, individualistische bekeringstheorie plaatst de persoon van de be≠keerde zů nadrukkelijk op de voorgrond dat hierin een duidelijke invloed van de we≠reldse ik-cultuur herkenbaar is.

De Reformatie streed voor de absolute voorrang van het Woord. Maar vandaag zien we in onze kerken de religieuze mens naar voren komen met zijn persoonlijke opvattingen en be≠levingen. Wat
hťm en (niet te vergeten) hŠŠr belangrijk toeschijnt en 'pakt', dus wat zij en hij 'ervan vinden', dŠt komt veel te veel in het cen≠trum van de aandacht te staan.

Bedreiging van de gemeenschap. Natuurlijk geldt dan de harde wet "zoveel hoofden, zoveel zinnen". Dat bedreigt de gemeenschap van de kerk. Daar is de satan altijd al op uit. Zijn ge≠dach≠ten zijn ons niet onbekend (2Kor.2:11). Vandaag wordt onder ons de 'christelijke' verta≠ling van de ik-cultuur met grote ernst en met een 'missionaire ijver' uitgedragen als de enige goede manier van geloven. Onherroepelijk ontstaat er dan vervreemding tussen 'voorlopers' en 'achterblijvers'. Tweespalt, terwijl we elkaar zo nodig hebben. Kunnen we elkaar niet er≠gens vinden?

4.2. De moeiten van het onderling gesprek.

 

De normale reactie lukt niet. -Als je onderling van mening verschilt ga je met elkaar praten. Dat is heel gewoon - maar wat blijkt nu? Het gesprek met deze medegelovigen verloopt moeizaam. Hoe komt dat? Ik noem eerst twee oorzaken. De derde (het gevoel) komt straks.

 

4.2.1. De woorden zijn gelijk, de inhoud verschilt.
Als we in een gesprek aan dezelfde woorden een verschillende betekenis geven dreigen er pijnlijke misverstanden. We
lijken elkaar te vinden in belangrijke onderwerpen als bekering, gebed en getuigenis maar dat is schijn. Want de evangelische geloofscultuur plaatst deze onderwerpen in haar eigen mensgericht kader. Dan praten we gauw langs elkaar heen.
- Is de bekering uiteindelijk
mensenwerk? Doe ik dat, laat ik Jezus toe in mijn hart? Is door die daad van mij alles anders geworden? Nee, de gelovige die vasthoudt aan de Schrift heeft mťťr te zeggen over de bekering: vůůraf gaat inderdaad de oproep tot bekering, maar achteraf komt de ootmoedige erkenning dat ik dit uit mezelf nooit heb gekund, dat het uit≠sluitend Gods verkiezende liefde en genade is die mijn bekering in mij heeft gewerkt.
- Welke betekenis heeft het
gebed? Is het toch eigenlijk mensenwerk? Is het een soort groepsgewijze bundeling van de menselijke geloofsenergie om de hemel te vermurwen? Is het een goed middel om de diepe onderlinge geestelijke eenheid te beleven? Kunnen we onderlinge verschillen 'wegbidden'? enz. Nee, het gebed is in de eerste plaats een antwoord van een ternauwernood geredde zondaar op het gehoorde Verlossingswoord.
- Wat verstaat men onder
'getuigenis'? Is het primair het meedelen aan anderen wat God met mij persoonlijk doet of heeft gedaan? Wat ik meegemaakt heb en beleefd? Nee, ons getuigenis is primair het verkondigen van Gods grote daden door en in Christus. We geven dan door wat de oor- een ooggetuigen van Christus' woorden en werken hebben gezegd en wat God vandaag aan iedere hoorder in Zijn Woord toezegt en aanzegt. Het is een oproep waarop je altijd onontkoombaar antwoordt - ook als je er verder niets mee wilt doen.

Op zich is een 'bekeringsverhaal' 'neutraal', maar het gebruik ervan kan ongepast zijn. In bepaalde situaties (bijv. in een persoonlijk gesprek of in het kader van een langer levensverhaal) kan dit wťl passen. Dan denk ik bijv. aan Ps.66:16 ev. en Hand.22:6 ev. Als een standaardmethode van ver≠kondiging is zo'n getuigenis echter niet anders dan een aan de schepping ontleende manier van aanprij≠zing. En dan gaat deze methode toch te veel lijken op wat je in de reclamewereld tegenkomt, waar een product vaak wordt aangeprezen door gebruikers, die daar gelukkig door zijn gewor≠den. Bovendien is de overtuigingskracht dubieus, want de hoorder wordt nauwelijks aangesproken en kan zich te gemakkelijk afwenden: "Fijn voor jou maar ik voel niks". Dat zie je bijv. duidelijk in EO-programma's o.m. met Catherine Keyl.

4.2.2. Afkeer van 'dogmatiek'.
Een andere moeite is dat een gesprek op meer 'leerstellig' niveau met deze gelovigen haast niet wil lukken. Want zodra we hun beroep op bijv. de be≠tekenis van de bekering willen be≠kijken op zijn schriftuurlijke en confessionele 'gehalte' wer≠pen ze ons tegen dat we veel te verstandelijk bezig zijn (dogmatiek, voer voor theologen). Zo'n tegenwerping maakt ons machteloos, want we bereiken hen niet meer. Ze vinden wat we zeggen niet relevant, ze le≠ven en geloven gewoon op een andere golflengte. Dat můeten ze ook wel. Want ten eerste zijn ze op dogmatisch gebied kwetsbaar. Ten tweede worden ze binnen onze kerken ge≠dwongen zich sterker te profileren dan daarbuiten. Daardoor moeten ze het 'verstandelijke' extra sterk afwijzen en het 'gevoelsmatige' zo beklemtonen.

 

4.3. Gevoel verstrooit.

 

Gevoel overtuigt niet. De derde oorzaak van onze machteloosheid is dat wij bij onze evan≠gelische medegelovige steeds aanlopen tegen zijn gevoel. Ik kan hem niet bereiken en hij kan mij met woorden niet duidelijk maken wat hem beweegt. Dat komt omdat het eigen ge≠voel een ander nooit overtuigt. Voor een appťl heb je woorden nodig die je ontleent aan het Woord. Je moet spreken met en vanuit de Schrift en de ander iets laten zien en 'aan zijn verstand brengen' - of dat lukt heb je niet in eigen hand. Maar het gevoel leent zich niet voor gesprek. Het is individualistisch en past bij een mensgerichte bekeringstheorie. Daarom zie je bij de evangelischen het gebruik van heel andere methoden om iemand 'mee te krijgen'.

Niet praten maar beleven. Gevoel moet je beleven, meebeleven, ondergŠŠn. Voor middelen die op je gevoel werken moet je open staan en ze op je laten inwerken.

Zodra je nl. over het gevoel gaat praten moet je er (objectief) over gaan nadenken. Maar dan is alle gevoel (vrijwel) verdwenen. Want dan neem je afstand van je gevoel - en dat kan niet, want dan is het weg. Daarom wordt praten over het gevoel zo gauw gevoeld als 'dorre theorie' waaruit alle (ge≠voels-)warmte is verdwenen. Praten erover is dus een bedreiging voor het beleven ervan. Het is net alsof je een mooie zeepbel met de hand gaat pakken om die nader te onderzoeken. Gevoel ver≠draagt, kort gezegd, geen gewone verbale communicatie, je kunt gevoelens alleen maar 'delen' als je bereid bent jezelf onder te dompelen in de 'sfeer' die erop uit is ze op te roepen.

Gevoel is net als smaak, daar kun je niet over twisten. Deel je die opgeroepen gevoelens niet? Jammer dan, maar even goede vrienden. Ondertussen sta je wťl buiten de gemeen≠schappelijke ervaring. Als je je ergert aan allerlei vertoningen die op het gevoel moeten in≠spelen plaats je jezelf buiten de sfeer van de gezamenlijk gedeelde emoties. Formeel kun≠nen we dan nog mooie woorden spreken over de 'gemeenschap' maar de innerlijke basis onder de saamhorigheid is verdwenen. Gemeenschappelijke gevoelens die werkelijk op≠bouwen kunnen alleen vrucht zijn van de Geest Die werkt door het Woord.

 

Nadruk op het gevoel verlamt het gesprek en ondermijnt de echte gemeenschap van de heiligen die een vrucht is van de Geest.

 

4.4. Aparte gevoelsopwekkingen?

 

De Schrift zit vol gevoel. Het Woord grijpt de hele mens aan en roept daardoor 'automatisch' ook allerlei gevoelens op als verdriet, blijdschap, hoop, wanhoop, verbondenheid, schuld, bevrijding enz. enz. Deze gevoelens zijn volledig ingebed in het totale geloofsleven, dat ge≠werkt en gevoed wordt door het krachtige Woord van onze Vader. Als Woord en Geest in ons diepste bestaan doordringen krijgen we niet alleen honger naar meer kennis, maar tege≠lijkertijd worden we sterk aangesproken in onze diepste gevoelens. Die vormen echter geen apart verschijnsel waarop we ons speciaal zouden moeten richten. Zoals de wereld rondom ons dat heel bewust wťl doet.

Gevoelsopwekking contra luisterhouding. Middelen in de kerk die vooral gericht zijn op het gevoel van de gemeente staan een geconcentreerde luisterhouding in de weg. Want die houding is nodig om het levende water van het gepredikte Woord te kunnen drinken. En om diep ontroerd te raken bij het horen van de boodschap van verzoening en verlossing van ons hele bestaan. Wat dreigt er dus? Dat het wonder van de prediking, de bediening van de ver≠zoening, ondergesneeuwd raakt door zelfbedachte gevoelsopwekkingen, die maar een korte tijd effect hebben en die de absolute voorrang van het Woord bedreigen.

Het gevoel als geschapen mogelijkheid. Ons gevoel is geschapen en in die zin neutraal. Het kan dus ten goede en ten kwade worden gebruikt (zie H.3.6 en 3.7). Ons gevoel is iets moois maar het maakt ons wťl extra kwetsbaar, omdat deze scheppingsgave door zijn dif≠fuse en sterke invloed ons gauw helemaal in haar macht krijgt en meesleept. Ook is ons ge≠voel weinig kritisch. Dat moet ons direct al indringend waarschuwen. Immers, de satan en de zonde maken gebruik van onze geschapen mogelijkheden om ons af te leiden van de dienst aan God. Dus ook door middel van ons gevoel. We spelen dus met vuur.

Waar blijft de eerbied voor de Schrift? De Schrift kent het onderscheid tussen gevoel en ver≠stand niet. Waarom vinden wij dat vandaag dan wťl belangrijk? Zijn we al te erg verwend door wat de wereld biedt? Doorzien we op dit punt de satan niet meer? Hij is er steeds op uit om onderscheidingen tot tegenstellingen te maken. Hier doet hij dat door een normaal scheppingsonderscheid (tussen verstand en gevoel) op te blazen tot typering van twee ma≠nieren van geloven. Maar wat zegt de Schrift? Die legt bijv. wťl sterke nadruk op de kennis: het kennen van de Here en van Zijn geboden en beloften enz. Maar 'kennis' is niet hetzelfde als 'bezig zijn met je verstand', want je gevoel, intuÔtie, liefde enz. spelen daarbij ook een grote rol. Ook de liefde is niet maar een 'gevoel', want we moeten God ook liefhebben met ons hele verstand. Liefde is een 'gezindheid' - dŠt is een bijbels woord.

Gevoelsmethoden. De gereformeerde traditie heeft bovendien geen middelen voorhanden die zich speciaal richten op het gevoel. Terecht. Wie dergelijke middelen toch wil gebruiken moet ze buiten de Schrift en de kerk zoeken. Hij kan terecht bij Rome (sommigen kijken daar jaloers naar) of bij de ongelovige wereld. En inderdaad, we worden in ons gereformeerde le≠ven vandaag steeds vaker geconfronteerd met wereldse gevoelsmiddelen.

 

Speciale middelen bij de Woordverkondiging die gericht zijn op het gevoel geven geen blijk van een rijp inzicht in Gods Woord. Ze verhinderen een toegewijde luisterhouding en dreigen het geloof te verzieken. Want ze spelen met onheilig vuur en dreigen voortdurend de majesteit van het Woord naar beneden te halen.

 

4.5. Rome - een waarschuwing.

 

Schepping vervangt hier het Woord. De roomse erediensten zijn rijk aan hulpmiddelen die men uit de schepping haalt. Ze zijn daar al eeuwen lang in gebruik en dienen ertoe het ge≠moed van de leken in de ban te krijgen en te houden. Rome heeft hier een heel eigen stijl ontwikkeld. Ze werkt bewust met uitgebreide rituelen, met geu≠ren, kleuren en klanken. Met mooie gewaden, grote gebouwen, met wierook en wijwater enz. Waarom dit alles? Uit ar≠moe, want het Woord is krachteloos gemaakt en wordt in dwaling ten onder gehouden. Daarom heeft men de schepping nodig om de mensen te boeien. Verder bewaart men de eenheid door de macht van de organisatie (ook een scheppingsmiddel) en met briljante 'kerkvorsten'. En inderdaad, zo lukt het vandaag de belangstelling van de wereld te trekken.

De Reformatie heeft dit doorzien en heeft daarom deze 'verwildering' en overwoekering uit de eredienst verwijderd. Die werd voortaan gekenmerkt door grote soberheid. Geen beel≠den, gewitte muren, zelfs aanvankelijk geen orgelbegeleiding. Waarom? Om de aandacht zo weinig mogelijk af te leiden van het geestelijke doel, nl. de ver≠kondiging van en het luisteren naar Gods Woord.

Afzonderlijke middelen om de hoorders te boeien achtte men gevaarlijk - en terecht. Wellicht komt ons dit van≠daag wel wat al te rigou≠reus voor, maar tegen de achtergrond van de strijd op leven en dood in de dagen van de Reformatie kan men er respect voor opbrengen. Misschien moeten we vandaag weer een eindje die kant op om duidelijk te maken dat we wars zijn van allerlei aan de schepping ontleende kunstgrepen die de men≠sen moeten boeien maar die de ongedeelde aan≠dacht voor het Woord kunnen schaden.

Veel van de schepping in de eredienst. Natuurlijk speelt het geschapene in de eredienst een rol. Immers, we kunnen onszelf als schepsel nooit uitschakelen. We blijven gebonden aan de menselijke taal, we zingen psalmen die God ons op de lippen heeft gelegd. We bidden tot Hem in onze taal en met woorden die we ook zelf nog eens mogen kiezen. Als in de ere≠dienst de levende prediking van het Woord maar volledig in het centrum blijft. Luisteren is vaak inspannend en het Woord kan ons onrustig maken. Daarom is het verleidelijk om in de kerk een intieme of verheven sfeer te scheppen met behulp van de uitbundige overvloed aan scheppingsmiddelen die ons vandaag ter beschikking staan.

Zorgvuldigheid nodig. Het gepaste gebruik van scheppingsmiddelen in de eredienst is een kwestie van eerbiedige zorgvuldigheid. Steeds moeten we ons bewust zijn van het gevaar dat we de intense aandacht voor de prediking in de weg te staan. Hiervoor is een fijngevoe≠ligheid nodig als gave van de Geest. En die geeft Hij door het Woord.

- Die schriftuurlijke fijngevoeligheid kun je niet overlaten aan de smaak en de invallen van een commissie (zoals soms gebeurt) die zich in haar vernieuwingsdrift uitleeft in het verzinnen van 'aansprekende dingen'. De eredienst is geen proefpolder voor menselijke fantasie.
- We verwerken heel wat scheppingsmogelijkheden in de kerk. Zo hebben we (vaak mooie) ge≠bouwen (al zijn die niet perse nodig), voeren we een financieel beleid, kennen we een gezags≠structuur (door de Schrift geleerd). Er is geen enkele reden om dit alles nog eens extra aan te dik≠ken met allerlei uitbundigheden. Dat wijst op geestelijke armoede.

De sacramenten. Door God zelf wordt de schepping gebruikt in de sacramenten. Hij wil Zijn beloften uitbeelden met behulp van scheppingsmogelijkheden om ze nog duidelijker te ma≠ken aan ons als zondige mensen. God houdt hierbij rekening "met ons onverstand en de zwakheid van ons geloof" (N.G.B. art.33). Dit moet ons extra voorzichtig maken met het in≠troduceren van allerlei uit- en afbeeldingen. We moeten niet wijzer willen zijn dan God.

 

Met scheppingsmiddelen in de eredienst moeten we zorgvuldig en 'geestelijk' om≠gaan. Verantwoord gebruik vereist een fijngevoeligheid en inzicht die alleen de Geest ons kan leren door een intieme omgang met het Woord.

 

4.6. Verkondiging aan buitenstaanders.

 

Meer rekenen met buitenstaanders? In de eredienst wil de Here Zijn volk ontmoeten. Dat geeft aan deze vergadering een heel eigen karakter en ook een grote ernst. Daar mogen buitenstaanders bij aanwezig zijn. We laten hun dan meemaken hoe wij naar onze Vader luisteren, voor Hem zingen, tegen Hem spreken. Maar buitenstaanders bepalen het karakter van onze ontmoeting met God niet. Als de Here 'op bezoek wil komen' bij Zijn Eigen volk heeft dat volk zich volledig te richten op Hem, Die tot ons spreekt. Zodra we onze ontmoe≠ting met de Hoogheilige gaan inrichten en instellen op buitenstaanders, die (voorlopig) van Hem niet (willen) weten, beledigen wij onze Koning en Gastheer.

- Onze motieven zijn natuurlijk altijd voortreffelijk. Maar ondertussen bepalen wijzelf in werkelijkheid (dat wil zeggen: getoetst aan het Woord) hoe wij, als ternauwernood geredde zondaars, onze ont≠moeting met Hem willen gebruiken. Goede bedoelingen rechtvaardigen eigenwillig optreden niet. Denk aan Saul die offerdieren spaarde (1Sam.15:15).

Buiten de eredienst veroorloven wij ons meestal meer ruimte om samenkomsten met buiten≠staanders in te richten met het oog op ons doel. Ook dŠn mogen we onze fantasie niet de vrije loop laten. Het moet wťl blijven gaan om de verkondiging van het verlossende Woord. Wij hoeven ook niemand te imponeren of te overtuigen, we moeten alleen 'zaaien' door met grote eerbied het zwaard van de Geest te gebruiken - denk aan Uzza. Anderen moeten aan onze hele houding kunnen zien waar het ons om gaat en wat voor ons het belangrijkste is. Ik vraag mij af of dit wel steeds voldoende wordt beseft. Daarom stel ik twee voorbeelden aan de orde waarbij ik vraagtekens zet.

 

4.6.1. Eerste voorbeeld. Massabijeenkomsten.

Hoe werkt de massa? Het blijkt dat het samenbrengen van mensen in min of meer massale bijeen≠komsten een sfeer schept die interessant is voor de massa≠psychologie. In een groep beleef en doe je vaak andere dingen dan wanneer je alleen bent. Het blijkt dat deelnemen aan een groep extra ontvankelijk maakt voor een boodschap. Verder blijkt (en dat is veront≠rustend) dat dan de in≠houd van de boodschap er niet zoveel toe doet. Dit wijst er al op dat we hier te maken hebben met het gebruik van een scheppingsmogelijkheid. Hoe kan dat? Doordat het bewustzijn wordt vernauwd. De groep hoeft daarvoor niet eens stadion-groot te zijn - het sfeertje ontstaat al gauw als alle aanwezigen dit willen en verwachten. Ik denk dan aan God Fashion en Heartbeat. Je wordt heel gemakkelijk 'meegezogen' in de gemeen≠schappelijk emoties en kunt niet meer kritisch naden≠ken. Want dan moet je afstand nemen en dat is nu juist niet de bedoeling.

Ook bruikbaar voor de satan. Ook de satan heeft de invloed van de massa benut. We zien dit bijv. al in Dan.3 en in het recente verleden in het Derde Rijk. Met een uitste≠kende regie werden de bij≠eengebrachte massa's betoverd. Gemeenschappelijk gescan≠deerde leuzen, muziek, vlaggen, militair vertoon, opzwepende redevoeringen, parades enz. brachten een bezie≠ling teweeg waar sommigen van de toen aanwezigen vandaag nog met heimwee naar terugdenken ("DŠt was nog eens een tijd!").

Christenen in de massa. Vandaag is de massa ook bij christenen populair. Je wordt emotio≠neel geraakt en enthousiast. Vooral jongeren. In tegenstelling tot Rome - zie boven 4.5 - ontbreekt hier vaak de eigen stijl. Men aapt veel te veel de wereld na. De vervoering, vreugde-uitbarstingen, lichaamsbewegingen, het geluid, het ritme, de lichteffecten enz. kun je ook buiten elk christelijk doel aantreffen en gebruiken.

Ik zie wťl duidelijke verschillen met de wereld, want christenen proberen de sfeer zuiverder te hou≠den. Maar ik mis hier de diepe eerbied voor het Woord van onze God. Zeker, Hij wordt luidkeels geprezen, maar de middelen waarmee dit hier gebeurt en de sfeer waarin dat plaats dragen veel te sterk het stempel van wereldse manifestaties. Zijn we daar toch niet bezig eigenmachtig de majes≠teit van het levende Woord een beetje steun te geven met zelfbedachte of van elders geÔmpor≠teerde pepmiddelen? Eťn van de gevolgen is dat de gewone eredienst bij al dat gespetter maar saai afsteekt. Smaakbederf dus. De kerk krijgt daarvan de rekening gepresenteerd.

Conclusie en lering. De massa is een geschapen beÔnvloedingsmiddel. Het christelijk ge≠halte van wat daar gebeurt hangt volledig af van 'integriteit' van de 'spelleiders'.
De les hieruit? Draag het Goddelijk Woord uit met de diepste eerbied en ga God niet een handje helpen met 'geschikte' scheppingsmiddelen.
En noem vooral zulke happenings geen 'kerkdienst' - dat is wel de meest giftige devaluatie van de gereformeerde eredienst.

Evenmin als het doel de middelen heiligt is dat het geval met het resultaat. Te vaak wordt er een beroep gedaan op bekeringen die dan plaats zouden vinden. Hiermee wil men die manifestaties zelf rechtvaardigen. Maar als je elke gast tien euro zou geven om naar een 'gewone preek' te luis≠teren ga je toch zo'n lokmiddel ook niet verdedigen als hij zich bekeert? Hetzelfde geldt voor alle soorten dwang- of lokmiddelen om iemand bij de kerkdiensten te krijgen.

4.6.2. Tweede voorbeeld. De Alpha-cursus.

Ontstaan. Deze 'beweging' is gegroeid uit spontane gesprekken met niet-gelovigen tijdens een gezamenlijke maaltijd na de eredienst. Daarop is deze ontmoeting omgebouwd tot een 'cursus' die (te) veel trekken toont van de groepstherapie: 'los' komen, openheid, zich kwets≠baar opstellen, onderlinge steun en warmte enz. Groepstherapie heeft als doel dat de deel≠nemers veranderen. De methode is dus erg geschikt voor verandering, bezinning en beÔn≠vloeding. De commercie paste dit allang toe in o.m. het bedrijfsleven ('de hei op').

Ontvankelijk maken voor beÔnvloeding. De Alpha-cursus probeert dus de deelnemers ont≠vankelijk te maken met scheppingsmiddelen. Die middelen zijn op zich neutraal en dus niet speciaal gericht op de inhoud van de boodschap die je 'uitzendt'. Ze staan dus ook los van de boodschap die de 'officiŽle organisatie' van de Alpha-cursus aanbeveelt en waarin de evangelische miskenning van Gods werkwijze duidelijk doorklinkt. Die neutraliteit maakt deze cursus bruikbaar voor elke boodschap, ongeacht de inhoud. Rome begint er ook al mee. En op zich zouden moslims en boeddhisten er goed mee uit de voeten kunnen. De re≠clamewereld werkt met iets soortgelijks (gratis busreizen met reclameaanbiedingen onder≠weg). Juist de kunstmatige sfeer van warmte en sociale 'verwenning' leveren het gevaar op dat de kerkdiensten daar maar kil en formeel bij afsteken. De kerk krijgt dus (opnieuw) de rekening gepresenteerd.

Ik heb respect voor de inzet van de deelnemers, maar laten we niet al te gauw 'geestelijk hoogdra≠vend' praten over deze (therapeutische) scheppingsmiddelen. De open en intieme sfeer kan inder≠daad dienen als een tijdelijke 'broedstoof'. Vertel mij niet dat hiervan geen sociale druk uitgaat op de deelnemers. Verder wordt al te gauw aan de sfeer op deze 'cursus' een argument ontleend om de kerk af te kraken. Het is zo goedkoop aan de kerk onvervulbare eisen te stellen.

 

Het uitdragen van Gods heilig Woord wordt vandaag veel te sterk overwoekerd door onkritisch gebruik van methoden ontleend aan de wereld en aan het geschapene. Daardoor krijgt dat Woord niet de eer die Het toekomt en ontkrachten wij de bood≠schap van onze God. Onze 'successen' bewijzen op geen enkele manier 'het goede' van onze methoden, ze tonen alleen de grootheid van Gods genade.

 

 

5..Bedreiging uit de omgeving.

 

We zijn nooit veilig. Van verderaf en dichterbij komen denkbeelden, stromingen en leefwijzen op ons af die de trouw aan het Woord bedreigen. Om effectief weerbaar te zijn moeten we de gevaren signaleren. Want dan kunnen we beter letten op onszelf, op elkaar en op de gemeente als geheel (vgl. Rom.12:2 en Jak.4:4). Een duik onder de oppervlakte naar enkele achtergronden.

 

5.1. Bedreiging van het Westers materialisme.

 

Beschrijving. Met westers materialisme bedoel ik een vorm van materialisme die gepaard gaat met de ik-cultuur, het individualisme (ontbreekt bijv. bij het communisme). Eerder bleek al dat de evangelische stroming een 'gekerstende' vorm van de ik-cultuur binnen de ge≠meente brengt en dus in zoverre het individualisme niet doorziet en weerstaat. Voor een duidelijk beeld van het materialisme ga ik onderscheid maken in drie lagen of niveaus.

- De eerste of onderste laag kenmerkt zich door de overheersende gerichtheid op wat de schepping en de bewerking daarvan ons te bieden hebben. Daarvan willen we maximaal genieten. Dit leidt o.m. tot het consumentisme. Verder wordt de hele opbouw van de maat≠schappij gericht op economische belangen en formuleert men alles in termen van econo≠misch nut en welvaart. Bovendien stelt de ik-gerichte moraal eigen belangen op de voor≠grond. Dit zet de intieme relaties in huwelijk en gezin onder druk. Zie verder 5.1.1.

- De tweede of middelste laag ontstaat vanzelf uit de onvrede met de eerste. De welvaart voldoet niet aan de verwachting. Er ontstaat een slopende jacht naar geld en goed (geen welzijn). Daarom zoekt de moderne, welvarende mens de nodige verstrooiing en ontspan≠ning en creŽert haast automatisch de moderne vermaakindustrie. Let wel, als industrie is haar basis economisch. Zij vormt een machtige en invloedrijke bedrijfstak waarin miljarden omgaan. Ze vraagt indringend aandacht en haar geldzucht wint het meestal van Gods gebo≠den. Ze doet met scheppingsmiddelen een sterk appťl op onze emoties en exploiteert aller≠lei methoden die op dit punt goed werken, zoals het opwekken van spanning, het voldoen aan driftmatige behoeften, het organiseren van happenings die je 'uit je bol laten gaan' enz. Ook de jeugd is voor deze industrie een gewilde klant: ze heeft geld, is erg ontvankelijk, en≠thousiast en energiek. Zie verder 5.1.2.

- De derde of bovenste laag. Tenslotte zijn er nog mensen die door de vermaakindustrie al evenmin voldaan worden als door het streven naar welvaart. Ze blijven met hun leegte zitten en zoeken een meer bevredigende 'zingeving' van hun leven. Ook deze mensen worden op hun wenken be≠diend. Zie verder 5.1.3.

 

5.1.1. De jacht naar geld en goed.

De onderste laag. Het ongeremde streven naar welvaart bedreigt vandaag ook de kerk. Een reden dus tot zorg en bezinning. Welke prioriteiten stellen we bij de omgang met ons geld? Worden er nog wel echte offers gebracht voor Gods Rijk? De economisering ont≠wricht ook gemakkelijk ons gezinsleven. 'Investeren' we nog wel voldoende in onze intieme relaties: huwelijk en gezin? Of is onze zelfontplooiing onze hoogste 'waarde'? Wat hebben we over voor bijv. de opbouw van een warm gezinsleven waar kinderen alle tijd krijgen en zich veilig voelen? Misschien kan de evangelische mentaliteit een tegenwicht bieden door haar beroep op onze verantwoordelijkheid voor het uitdragen van het Evangelie, door haar persoonlijke vroomheid en offerbereidheid. Echter, door allerlei andere zwakheden in deze onderste laag ontkracht ze vaak helaas de invloed die ze hier zou kunnen hebben. Zo laat ze bijv. in gods≠dienstige zaken het marktdenken een veel te grote rol spelen.

 

Het platte materialisme verleidt ons 1. tot maximale exploitatie van de schepping voor eigen genot; 2. tot te grote nadruk op economische waarden als nut en succes; 3. tot marktgericht denken in geestelijke 'ondernemingen' en acties. Bij de laatste twee pun≠ten is de evangelische beweging te weinig kritisch.

 

5.1.2. De bedreiging van de vermaakindustrie.

De middelste laag van het materialisme. De enorme invloed daarvan op ons leven wordt vaak te weinig onderkend. Dan wordt het pas echt gevaarlijk. Als het uitwendige normatief gezien van minder belang is verslapt gauw de waakzaamheid tegen seculariserende invloe≠den van de vermaakindustrie. Een paar voorbeelden.

- 1. De beeldcultuur. Via de TV stromen onophoudelijk beelden onze binnen- en bovenka≠mers binnen. Beelden raken ons heel direct, we kunnen ze met een passieve houding hun werk laten doen. 'Gemakkelijk' dus. Op de duur raken we sterk visueel ingesteld (om niet te zeggen 'verslaafd'). Een gevolg is: de presentatie en de persoonlijke uitstraling krijgen een onevenredig groot accent. Hierdoor verschuift onze waarde≠ringsschaal van de inhoud naar de vorm. Dit zijn we ons nauwelijks bewust. Maar het werkt wťl door in onze beoordeling van de eredienst en van de predikant. Hier blijft het niet bij. Want de moderne beelden zijn volle≠dig doortrokken van de wereldse normen en waarden, die zich daardoor ongemerkt nestelen in onze 'interne programma's'.
De overheersing van het visuele vormt een bedreiging voor het beleid van onze God. Want het heeft Hem behaagd te werken via het gesproken woord en dus via het ge≠hoor (Rom.10:17). Dat getuigt van Zijn wijsheid, omdat door gesproken en geschreven woorden de abstracte, geestelijke zaken veel duidelijker kunnen worden 'overgebracht', in≠geprent en overdacht dan via beelden. Woorden eisen echter wťl psychische inspanning.

- 2. Vorming van jongeren. Als je ziet wat er op onze jeugd afkomt zou ze veel intensiever begeleid moeten worden dan nu gebeurt. Hier is m.i. de waakzaamheid verslapt. Zowel bij de oude generatie als bij de huidige (uitzonderingen daargelaten). We leggen ons te gemak≠kelijk bij de feiten neer ("Zo gaat dat nu eenmaal vandaag"). Hoe reageren we bijv. als ou≠ders eisen dat er in de eredienst meer visuele ondersteuning komt? Op zich kan dit best nut≠tig zijn, maar waar komt hun vraag vandaan? Eerst de kinderen thuis laten wennen aan (of liever: verwennen met) de moderne beeldcultuur van de wereld en dan van de kerk eisen dat er meer visueels komt (zgn. "voor de jeugd")? Ondertussen merken we niet dat onze waar≠den zijn verschoven. Want iets, dat op zich nuttig kan zijn, kan zomaar een symptoom van een geseculariseerde mentaliteit worden. Eigenlijk zijn het dan ook niet meer de kinderen om wie we ons vooral moeten bekommeren maar de ouders zelf.
- 3. Exploitatie van de emoties. Het visuele reikt als regel niet verder dan de emoties. Want de uitingen daarvan kun je gemakkelijk zichtbaar maken in tranen, juichen, dansen, en al≠lerlei andere houdingen, geba≠ren en geluiden. De nadruk bij de bekering op de emoties (als het middel om tot zekerheid te komen) sluit dus naadloos aan op de wereldse beeldcultuur. In plaats van deze seculariserende gevaren te doorzien streeft men vandaag in de kerk zelfs naar 'meer emoties'. Deels door visuele en deels door andere middelen.

 

De invloed van de vermaakindustrie wordt onderschat en is daardoor extra gevaarlijk. De evangelisch mentaliteit zou hier moeten oproepen tot grotere soberheid maar ze ontkracht haar boodschap door veel te kritiekloos de invloeden en producten van die industrie voor eigen doelen te gebruiken.

 

5.1.3. De bedreiging van de moderne religiositeit.

De derde laag van het materialisme. Ik maak gebruik van de publicatie van Barrs en Macaulay Geloven is weer mens worden. Zij beschrijven in H.2 de invloed van het materia≠lisme op het christelijk leven. Ik geef in eigen woorden iets van hun betoog weer.
De moderne mens van deze wereld gaat vaak op zoek naar 'religieuze' ervaringen. Sommi≠gen grijpen dan naar 'geestverruimende middelen' (drugs dus), anderen verwachten het van oosterse religies en weer anderen duiken in het occulte.

'Christelijke' methodieken. Ook veel christenen zijn niet ongevoelig voor deze zoektocht. Hun religieuze ervaringen moeten hun zekerheid geven dat ze een relatie met God hebben. An≠dere christenen streven naar een bepaalde leefstijl. Bijv. naar een gezond gebedsleven en het houden van dagelijkse stille tijd op vaste momenten. Weer anderen werpen zich op per≠soonlijke evangelisa≠tie als de sleutel voor ei≠gen geestelijke groei. Nog weer anderen ver≠wachten het van een reorganisatie van de gemeente. Ook zijn er gelovigen die streven naar de doop met het Heilige Geest en naar het spreken in tongen. Anderzijds zijn er men≠sen die heil zoeken in de groepstherapie (35/6).

 

De derde laag van het materialisme is de zoektocht naar zingeving. Deze gebeurt vaak in allerlei vormen van religiositeit. Christenen die te weinig weerbaar zijn doen daar (vaak op hun eigen manier) aan mee. Echt weerbaar blijven we alleen als we Gods Woord bewaren. Hier ligt een belangrijke taak voor de prediking.

 

 

 

5.2. Bedreiging door het platonisme.

 

5.2.1. De twee werelden van het platonisme.

Bovengenoemde schrijvers laten indirect zien hoe het komt dat veel christenen zo weinig weerbaar zijn. Een belangrijke oorzaak is het platonisme. Wat houdt dat in? Het is een leer die een alomvattend onderscheid maakt tussen hoger en lager binnen de schepping (Plato was een filosoof uit de Griekse oudheid). Het 'geestelijke' is dan het hogere en het 'stoffe≠lijke' staat lager.

Eigen stellingen:

1. Het platonisme is de uitdrukking van een visie, die binnen het geschapene onder≠scheid maakt tussen het hogere ('geest'), dat 'goed' is, ťn het lagere ('stof') dat 'slecht' is. Deze leer heeft de kerk al eeuwen lang beÔnvloed en staat in wisselwerking met al≠lerlei oude en nieuwe religieuze stromingen (zoals oosterse religies). De geest moet hier verlost worden uit of ontstijgen aan het lichaam.

2. De invloed van het platonisme verklaart het schema inwendig - uitwendig en is te≠vens de verklaring voor de verontrustende verblinding onder christenen als het gaat om de valse religie die meekomt met het materialisme.

Barrs en Macaulay over de mystiek. De invloed van het platonisme doet zich volgens deze schrijvers ook gelden in de vorm van mystiek. Diverse christenen willen zich hiermee ont≠doen van de bin≠ding met het stoffelijke en streven naar rechtstreeks contact tussen de eigen geest en God. Het gebed krijgt hierin een spe≠ciale rol als een manier om de innerlijke aan≠wezigheid van de Geest te ervaren. Verder hechten ze veel waarde aan buitengewone geestelijke ervaringen, meditatie of innerlijke stilte. In deze sfeer past volgens de schrijvers ook het charismati≠sche, dat zich niet richt op de gewone werkingen van de Geest maar juist op de buitenge≠wone. DŪe krijgen hier dan de hoogste waarde voor de 'geestelijke ervarin≠gen'. Bovendien wordt door deze stromingen vaak het verstand gedevalueerd terwijl de bij≠bel de betekenis daarvan nu juist zo beklemtoont. Heel gemakkelijk worden gebed, evange≠lisatie en 'be≠diening' als meer 'heilig' be≠schouwd dan alle andere activiteiten. Telkens als de Schrift over de gaven van de Geest spreekt (de 'charismata') worden de 'natuur≠lijke' en 'bo≠vennatuurlijke' ga≠ven naast elkaar genoemd (1Kor.12:8-10 en 28-31; Rom.12:5-8; 1Petr.4:1-11) (61), terwijl de natuurlijke de voorkeur krijgen.

Eigen commentaar. - Hier ligt ook een wortel van het verbondsautomatisme in de vorm van een scheiding tussen het leven door de week en dat op zondag in de kerk. Door de week leeft men net als de wereld en in de kerk wordt over al die zonden weer 'verzoening gedaan'. Die scheiding tus≠sen het profane en het heilige is ook sterk aanwezig bij Rome.
- Als het 'geestelijke' hoger is dan het 'stoffelijke' komen we gauw terecht bij een 'inwendige Woord'. Dat woord is 'geestelijk' en heeft het normale geschapen gehoor eigenlijk niet of nauwelijks meer nodig. Helaas brengt de evangelische mentaliteit vaak mee dat men wars is van bezinning op eigen achtergronden. Dus ook op de invloed van het platonisme. Zo maakt men zichzelf blind voor en weerloos tegen geestelijke gevaren.

Het platonisme leidt gemakkelijk tot mystiek in de zin van: geestelijk, inwendig con≠tact leggen met 'het hogere', terwijl tegelijkertijd de lichamelijkheid (uitwendig) zoveel mogelijk moet worden uitgeschakeld. Een zwakkere vorm is: het uitwendige wordt ge≠relativeerd, omdat het er minder toe doet. De evangelische beweging biedt hier geen hulp maar bevordert eerder deze oordeelsverzwakking.

 

5.2.2. Het platonisme onder ons.

Uitwendig en inwendig Woord. Als het gepredikte Woord 'slechts uitwendig' zou zijn hebben we geen enkele norm meer voorhanden voor ons innerlijk (geestelijk) leven. Daar zetelt dan hooguit de Geest als een kracht die primair op onze emoties werkt. We hebben het Woord uitgeschakeld en dus krachteloos gemaakt (Mark.7:13). Nu moeten we zelf maar omzien naar iets anders. Wat zijn daarvan de verschijnselen? Ik noem:

- 1. Personen krijgen extra grote invloed. Allerlei manifestaties, bewegingen, opwekkingen enz. zijn vaak gegroepeerd rondom bepaalde boeiende, aansprekende, imponerende perso≠nen. Hier zien we de macht van de presentatie. We laten ons bezielen door de vorm en niet door de inhoud. Paulus had daar al mee te maken (2Kor.10 en 11).
- 2. De prediking 'zegt ons vaak zo weinig'. Deze 'vorm' vinden we achterhaald. Eťn persoon alleen aan het woord - dat kun je niet meer maken. We eisen als verwende kinderen vormen van presentatie die 'aangepast zijn aan de moderne mens in de moderne tijd' (lees: aan onze smaak). We gaan op zoek naar middelen die ons 'aanspreken' bijv. methoden die ge≠richt zijn op ons gevoel.
- 3. We gaan buiten het Woord streven naar ervaringen van Geesteswerking. Allerlei 'religi≠euze manifestaties', die ons een 'goed gevoel' geven en ons 'opwekken', kunnen dan dienst≠baar worden gemaakt aan mijn persoonlijk relatie met God..
- 4. Bijzondere Geestesgaven. Gods grootste genadewerk in de mens, de voortdurende be≠kering van verstokte zondaars tot mensen die Hem liefhebben, is niet meer voldoende. Zijn rijkste be≠lofte, dat Hij door het Woord in ons wil werken en wonen, zegt ons te weinig. Nee, het ver≠zadigde 'geslacht' streeft naar meer: naar iets spectaculairs, wat je kunt zien en voe≠len.
- 5. Ons eigen goede gevoel krijgt normatieve waarde. Deze radicale omslag vindt vaak on≠gemerkt plaats. Ik moet nu eenmaal buiten het Woord om een andere maatstaf zien te vin≠den. Dan kom ik automatisch bij mezelf terecht en wel bij mijn eigen 'religieuze intuÔtie', wat in de praktijk vaak neerkomt op mijn 'goede gevoel'.
- 6. Een volgende stap is: het gevoel van de bekeerde wordt uitsluitend of voor een groot deel religieus inge≠kleurd. Een bekeerde mag geen (gevoels)problemen meer hebben want die zijn per definitie zondig, immoreel, ethisch verkeerd. Hij kan/mag dus in zijn gevoel ook niet meer ziek zijn (ontwricht, ontredderd, misvormd). Zo ja, dan moet hij zich bekeren. Want de ware bekeerde kent eigenlijk alleen maar positieve gevoelens - alsof hij de volmaaktheid al bereikt had!. Dit kan in pastoraal en sociaal opzicht leiden tot pijnlijk onbegrip en tot on≠barmhartigheid. De H.C. beklemtoont sterk de gevoelsmatige kant van de bekering (Z.33), maar naast de vreugde staat altijd ook het oprechte verdriet (zie 1.1).

In dit verband wil ik ook nog wijzen op de grote invloed van de publicaties van (vooral buitenlandse) christelijke psychologen. Als onze gevoelens een religi≠euze lading krijgen, gaat de psychologie een hoofdrol spelen in ons geloofsleven. Ook hier worden we op onze wenken bediend. Diverse neu≠trale psychotherapeutische technieken (bedoeld voor patiŽnten) worden na enige ombouw geschikt gemaakt voor 'christelijk gebruik'. En wel voor zelfonderzoek, bevrijding van zonde, toerusting, be≠kering enz. Natuurlijk goed bedoeld en hier en daar ook met nuttige adviezen. Het enthousi≠asme waarmee dergelijke technieken vandaag on≠der ons worden omarmd (in evangelisatieactivi≠teiten, bezinningssamenkomsten, trainingen, cur≠sussen enz.) is even tekenend als verontrustend.

De 'religie van het gevoel' richt zich op een geschapen menselijke eigenschap en dreigt het Woord krachteloos te maken. Dit is hťt kenmerk van de zonde. En tevens het grote bezwaar tegen de evangelische beweging.

 

5.3. Bedreiging door relativering.

 

Waar gaat het over? 'Relativisme' is een opvatting die ontkent dat we de waarheid kunnen weten. Zij staat theoretisch tegenover 'absolutisme'. Over dit relativisme hebben we het niet. Met het woord 'relativering' geven we een houding aan die bepaalde onderwerpen bestem≠pelt als 'van minder belang', 'iets wat ieder zelf moet weten', 'niet essentieel' enz. De alles≠beheersende norm is hier de tolerantie. Ik verzet mij niet tegen een onderscheid tussen meer essentiŽle en meer middelmatige zaken en bestrijd al evenmin de tolerantie als zoda≠nig. Waar het mij om gaat is: wie maakt uit wat bij het ťťn en bij het ander hoort en op grond van welke norm? Ik heb geen pasklaar antwoord maar verzet mij tegen de willekeur waar≠mee allerlei mensen en organisaties zo'n grens trekken. Bijv. op grond van het onderscheid uitwendig - inwendig (waar ligt trouwens hier precies de grens?). Dat is inderdaad poging om een norm te vinden, maar die verwerp ik. In dit verband stel ik twee zaken aan de orde.

 

5.3.1. Het Nederlands Dagblad.

Grote invloed. Het wordt te weinig hardop onder ons gezegd dat dit dagblad op diverse punten een gevaar kan vormen voor de gereformeerde kerken. Het had zich onder leiding van P.Jongeling een vertrouwens- en monopoliepositie verworven binnen onze kerken. Tot op vandaag is dat in veel opzichten nog zo gebleven (mede dank zij een goede kwaliteit). Dat bleef ook zo nadat de latere leiding had gekozen voor meer relativering op kerkelijk ge≠bied. Dit kerkelijke beleid van een kleine groep particuliere, goed getrainde en vaardig schrij≠vende opiniemakers heeft een benauwend grote invloed op de leden van onze kerken.

Eigen wetmatigheden van een krant. Een krant is een middel tot informatie en tot beÔnvloe≠ding. Op commerciŽle basis worden 'klanten' bediend. Dat brengt bij een christe≠lijke krant een eigenaardige dubbelheid met zich mee. Enerzijds ben je onderworpen aan de normen en waarden van de pers: je selecteert bijv. op nieuwswaarde, je bent 'in' voor een primeur en je staat op je vrijheid van nieuwsgaring en meningsuiting. Anderzijds heb je jezelf gebonden aan extra normen. Soms kan dat botsen.

De nieuwswaarde. Normale woorden of daden hebben geen nieuwswaarde. Maar wie iets extreems zegt of doet komt in de krant ('man bijt hond'). Daardoor wordt dit extreme auto≠matisch duizendvoudig uitvergroot en krijgt het een betekenis die 'gezichtsbepalend' lijkt (opblaas-effect). Dergelijke vormen van 'schijn' zijn onafwendbaar. Zo'n scheef beeld bena≠deelt onze kerken extra omdat daarin nogal wat gebeurt wat niet strookt met hetgeen je normaal zou verwachten van 'die vrijgemaakten'. De herhaling zelf heeft ook al effect, want hoe vaker de krant een bepaalde 'afwijking' meedeelt des te sterker krijg je de indruk 'dat is/wordt daar kennelijk normaal'. Terwijl dit in werkelijkheid helemaal niet zo hoeft te zijn.

Gevolgen zijn o.m. dat veel wat aan evangelische uitlatingen en charismatische excessen in onze kerken wordt gezegd en gedaan (en getolereerd) ruime aandacht krijgt. Want je zou dit daar toch echt niet verwachten - dus heeft het nieuwswaarde. Bovendien zullen er lezers zijn (inclusief sommige medewerkers?) die al deze excessen ook nog eens persoonlijk verwel≠komen. Dezelfde soort uitlatingen en excessen buiten onze kerken krijgen bovendien van deze krant ook een ruime publicitaire steun. Daar kan ook de boodschap van uitgaan dat wij als gereformeerden ons eigenlijk in niets meer van andere groeperingen onderscheiden - wellicht tot voldoening van diverse lezers. Relativering dus. Dit is het kerkelijke beleid van deze krant. Jammer? Elke commerciŽle instelling heeft een nu eenmaal een vrije keus.

De 'Jasperse'-hype. Ik zie hierin een voorbeeld van de effecten die het ND heeft (bedoeld of on≠be≠doeld). Een gereformeerde predikant ging twijfelen aan de waarheden waarmee hij tevoren had in≠gestemd. Waar die instemming is een voorwaarde voor je functie (zoals in de kerk) krijg je dus voorspelbare ethische en juridische problemen. Dat geldt voor elke organisatie. In dat opzicht ben je geen slachtoffer. Verder kun je sociale problemen verwachten. Voeg daar nog eens emotionele moeiten bij (gevoelens van onveiligheid, ontreddering, klem zitten enz.). Allerlei soorten ellende dus. Is het dan een christelijke of integere manier om die verwarrende hoeveelheid persoonlijke problemen anoniem op te blazen in een krant? Wat wil je daarmee bereiken? Medelijden, verwar≠ring, wijzen op onverdraagzaamheid, schade aan eigen 'nest'? Wie wil je bereiken? Lezers die het≠zelfde ervaren als jij? Zoek je daarbij steun?

5.3.2. De reformatorische wijsbegeerte.

De idee van de concentratie. Tenslotte wil ik in dit verband nog wijzen op de relativerende invloed van de reformatorische wijsbegeerte. Ook deze stroming omhelst in de praktijk een waarderingsschaal die overeenkomt met die van het schema inwendig - uitwendig. Dit hangt samen met haar opvatting dat het geschapene geconcentreerd is in het hart van de mens. Dat hart krijgt dan in feite de status van een inwendige kern, waardoor al het andere auto≠matisch 'uitwendig' wordt. Men beroept zich voor de betekenis van het hart op de Schrift, maar ik ontken dat de Bijbel dit leert. Maar, al zou dit wťl zo zijn, nooit mag een bepaalde structuur van het aardse geschapene worden verheven tot een overkoepelende norm die op belangrijke punten de toepassing van Gods Woord gaat bepalen. Ik stem in met de visie dat volgens de Schrift de menselijke geest een stuur- en con≠trole'programma' is of heeft. Maar deze geschapen stand van zaken rechtvaardigt op geen enkele wijze het bestaan van een 'super-norm'. Wie dat wel doet toont te weinig eerbied voor de Schrift.
De invloed van deze wijsbegeerte moeten we niet onderschatten. Vooral omdat zij ook zo≠veel goede dingen zegt. Want hele generaties gereformeerde studenten zijn door haar ge≠vormd in het relativerende denken over de kerk. En die studenten vormen vandaag de 'intel≠ligentsia' binnen onze eigen kerken.

 

Relativering is een sluipend gevaar dat ons infecteert van dichtbij. Het gevaar zit vooral in de onuitgesproken waarderingsmaatstaven. Meestal zijn die ontleend aan of overeenkomend met die van het schema inwendig - uitwendig.

 

 

6Waar gaan we naar toe?

 

Als we de ontwikkelingen en verschijnselen, die ik in het voorgaande beschreef, al≠leen maar opmerken en ze verder gewoon laten gebeuren, wordt het tijd de vraag on≠der ogen te zien waarheen we op weg zijn. Om dit te peilen ga ik eerst kijken in eigen kring en vervolgens bij andere kerken. Ik hoop dat ik overdrijf, maar beschouw dit dan maar als stimulans om de vloed te keren voor het helemaal te laat is.

 

6.1 De 'meditatie' van een gereformeerde dominee.

Een vooruitloper. Het is leerzaam te letten op mensen die zich profileren door vůůr de massa uit te lopen. Dat zijn vaak de meest radicalen en die geven de toon aan. Als voorbeeld kies ik ds. Jos Douma. Onlangs publiceerde hij een boekje Op het spoor van meditatie. Biddend luisteren naar Gods Woord. Hij onderscheidt daarin o.m. tussen bijbelstudie en bijbelmedita≠tie (zie schema p.18). Bijbelstudie is het 'normale' bijbelonderzoek, waardoor we proberen de Schrift (beter) te verstaan. Maar in de bijbelmeditatie staat de vraag centraal: 'Hoe word ik aangesproken en wat doet het met me?' Daarbij stel ik me als doel te groeien en te veran≠deren naar het beeld van Christus. Beide manieren van omgang met de Schrift hebben vol≠gens deze predikant hun eigen waarde.

'Meditatie' in zes stappen. Voor de "meditatieve concentratie op Jezus Chris≠tus" raadt hij zes stappen aan (p.78, zie ook de leidraad op p.72). Je moet beginnen met een ontspannen en gecon≠centreerde lichaamshouding (1e stap). Vervolgens rustig en stil worden (2e), rustig in en uit ademen (3e). En dan (4e stap): "Spreek zachtjes of alleen in je hart een kort woord dat je ontleent aan de Schriften. Doe dit bij herhaling op het ritme van je adem." Verder moet je rusten in de aanwezigheid van Christus (5e) en Zijn Naam aanroepen (6e). Dit alles moet je regelmatig doen liefst in een aparte bidhoek, "een heilig plekje van stilte", met bijv. een brandende kaars en "knielend op een kussen met behulp van een meditatiekrukje" (p.64/5). De grote ernst en indringende vroomheid waarmee dit alles wordt 'aangereikt' maakt indruk - zelfs op een kritische lezer.

- In hfdst. 10 (p.81 v.v.) geeft hij richtlijnen voor meditatie in kleine groepen. Hij vat dit samen in punt 9 op p.118: in dezelfde ruimte en in stilte biddend luisteren naar eenzelfde bijbelgedeelte en dat vervolgens met elkaar te delen. "Ook het samen intensief biddend luisteren naar en spreken over een bijbelwoord is een vorm van gezamenlijke meditatie." Het lijkt me toe dat de schrijver niet zo goed raad weet met de groep. Het zou meer in zijn lijn liggen als de groep gezamenlijk ritmisch een paar bijbelwoorden zou herhalen. Wat hij hier aanreikt ligt echter vrij dicht bij een meer 'normale bijbelstudie'. Daar protesteer ik tegen want beide vormen van omgang met de bijbel zijn principieel verschillend. Daar past geen goeps'meditatie' bij die de grenzen tussen beide vervaagt.
- Als bruikbare teksten voor 'meditatie' noemt hij o.m. Zonder Mij / kunt gij niets doen (Joh.15:5); De kennis van Christus Jezus / gaat alles te boven (Fil. 3:8); Meer van Jezus / minder van mezelf (Joh.3:30). Vůůr de markering (/) inademen, erna uitademen. Zie p.80.

Beoordeling.- 1. Hier wordt gewerkt met een onderscheid tussen het min of meer verstande≠lijk bijbelonderzoek en het persoonlijk betrokken omgaan met ťťn tekst of deel ervan. Dit onderscheid wordt geconstateerd. Kennelijk spreekt het voor zich. Toch staan juist hier de zaken op scherp, want onze omgang met de Schrift is in geding. Wie het Woord leest zonder er intensief persoonlijk bij betrokken te zijn is oneerbiedig en dus verkeerd bezig. Wie dat 'recht wil trekken' met 'meditatie' zet een tweede verkeerde stap.
- 2. We ontmoeten in deze aanzet een indirecte verwijzing naar de kunstmatige en onbij≠belse splitsing tussen hoofd en hart - waar zelfs de ongelovige graag mee schermt. Deze splitsing, ontleend aan het geschapene, wordt ons hier als een normaal uitgangpunt gepre≠senteerd. Van hetzelfde kaliber is de niet onduidelijke verwijzing naar het uitwendige Woord (voorwerp van verstandelijk onderzoek) en het inwendige Woord (dat klinkt in mijn diepste innerlijk). Dit onderscheid verwijst naar het heidense platonisme. Dat heeft al zo veel ellende gebracht in de kerk en wordt hier nog weer eens indirect warm aanbevolen. Ik herken hier het heidendom in een modern jasje, want God wordt hier vereerd op een andere wijze dan Hij in Zijn Woord bevolen heeft (H.C. Z.35, antw. 96).

- 3. Meditatie is overdenking. Dit woord wordt door de schrijver in een andere betekenis ge≠bruikt. Want hier moet het dienen als vlag waaronder ons een eigenwillige manier van om≠gang met de Heilige Schrift wordt 'aangereikt'. De dominee beroept zich niet op een voor≠schrift uit de Bijbel zelf, maar reikt ons vrijblijvend zijn eigen idee aan.

Hij ziet ook wel in dat men verband zou kunnen leggen met de 'mantra' (p.120). Een mantra is een telkens herhaalde mystieke formule die ook wel klankyoga wordt genoemd (yoga is verzamelnaam voor allerlei technieken o.m. betreffende de ademhaling). Een mantra heeft o.m. als doel de gren≠zen van het logisch denken te overschrijden om zo in een werkelijkheid te komen waar het denken niet bij kan. Natuurlijk ontkent hij dat hij de korte bijbeltekst als een mantra hanteert. Wat is dan het verschil? Een mantra kan zonder betekenis zijn - zegt hij - maar een bijbeltekst is dat nooit. Boven≠dien wil een mantra contact maken met het zuivere bewustzijn, terwijl je een bijbeltekst herhaalt met het doel dat deze steeds dieper in je hart doordringt en je steeds meer bewust maakt van de werkelijkheid waarover die tekst gaat.
- Hij vergelijkt zijn 'meditatie' graag met het slaan van een spijker. Zoals je die bij elke klap dieper in de plank slaat komt de tekst bij elke herhaling vaster in je hart (p.120). Wat een onthullende beeld≠spraak! Natuurlijk gaat elk beeld mank, maar we zijn hier wťl met Gods heilig Woord bezig. Mijn persoonlijke selectie van een voor mij hanteerbare tekst (of fragment daarvan) ga ik al repeterend 'erin hameren' als een spijker in mijn houten hart.

-.4. De aangeprezen 'meditatie' is ontleend aan methoden waarbij getracht wordt binnen het stof-geest-schema (platonisme) de geest 'vrij' te maken. Zoals o.m. in het Boeddhisme ge≠beurt. Inderdaad is de mens in staat zijn eigen geschapen mogelijkheden zo te gebruiken (concentratie, herhaling, kijken naar een lichtpunt enz.) dat hij in een soort trance raakt. We gaan dan in de richting van de hypnose. Die trance speelt bij veel heidense godsdiensten een grote rol. De methode van de herhaling zien we bij de priesters van Bašl in 1Kon.18. Gaan we nu echt dergelijke methodes 'kerstenen' als we hierbij (een fragmentje uit) de bijbel gebruiken?

 

Deze zgn. meditatie berust op het gebruik van een geschapen mogelijkheid om het ei≠gen bewustzijn te veranderen. We kunnen hiervoor in de leer gaan bij de heidenen. Benut als middel om God in ons binnenste te laten werken getuigt deze 'meditatie' van minachting voor Zijn heilig Woord. Want hier wordt eigenmachtig met dit Woord ge≠manipuleerd. Hier geldt (uiteraard) geen enkele belofte van onze God. Integendeel, Hij veroordeelt elke vroomheid die berust op ons eigen goeddunken.

 

6.2. Tolerantie.

Ieder zijn geloof?. We tonen vandaag in onze kerken een tolerantie die neigt naar schuldige nalatigheid. Ter wille van de 'eenheid' verdraagt men elkaar in een mate die leidt naar een plurale kerk - al trekken we natuurlijk wťl 'ergens' grenzen (waar eigenlijk?).

Autonomie. Met deze tolerantie spelen we perfect in op de autonomie die de moderne, indi≠vidualistische gelovige voor zichzelf opeist. De Waarheid is uit het Woord verdwenen, want ieder mag zijn eigen 'waarheid' in het Woord lezen en dus zelf maar uitmaken hoe hij God het beste denkt te dienen. Wee degene die daar iets van durft te zeggen.
De strijd hierover wordt te veel ontweken. Hoe langer we wachten des te harder zal die wor≠den. Want concreet aangeven wat het Woord voorschrijft en waarschuwen tegen eigenwil≠ligheid brengt voorspelbare verdeeldheid. Het dienen van eenheid is een deugd op zichzelf, daar kun je je altijd op beroepen. Ook kun je best goed preken en tegelijkertijd allerlei 'gevoelig≠heden' omzeilen. Want wat moet je met verwijten als: doordrijver, zaaier van verdeeldheid, ouderwetse diehard en dergelijke griezeligheden?. Deze kwalificaties werken altijd goed als men geen argumenten heeft. Want die hoef je ook niet meer te hebben als het je lukt je te≠genstander buiten de discussie te plaatsen. Dit is ook altijd de methode van de wereld ge≠weest om het christelijke getuigenis te negeren.

 

Tolerantie van dwaling is de ondergang van de kerk. Wie niet meer verontwaardigd kan worden als Gods Woord wordt aangerand heeft de strijd om de waarheid bij voor≠baat verloren. We zitten dicht bij die grens.

 

6.3. Kijken naar andere kerken.

Positie en taak van de dominee. Om de komende veranderingen binnen de kerk helder te krijgen kan het nuttig zijn lering te trekken uit wat er in andere kerken is gebeurd, toen daar de Waarheid van het Woord niet langer werd gehandhaafd. Ik maak gebruik van de publica≠tie van Gerben Heitink Biografie van de dominee. Hierin gaat het over de taak en positie van de predikant (of dominee - ik gebruik beide woorden door elkaar) door de eeuwen heen. Is dat voor ons van belang? Ja, want fundamentele interne wijzigingen in de kerk hebben op die taak en positie directe invloed. Begrijpelijk dat dit onderwerp ook onder ons de laatste tijd steeds weer aan de orde komt.

- Dit boek begint bij de reformatie. Ik geef alleen aandacht aan de periode vanaf 1960. Het gaat vooral over de synodale kerken, maar de schrijver betrekt daar ook vaak de Ned. Hervormde kerk bij. We kunnen dus het beste denken aan de PKN. Hij beschrijft de situatie zonder veel eigen taxa≠tie - hij aanvaardt kennelijk de ontwikkelingen als onafwendbaar of wellicht zelfs als goed.
- De tussen haakjes geplaatste nummers verwijzen naar de pagina's van dit boek. Ik selecteer en geef alles weer in mijn eigen woorden. Dat geldt ook voor de opschriften bij de afzonderlijke onder≠werpen. Als Heitink bijv. schrijft over "Tussen verkondiging en viering", dan vervang ik dat door "Van verkondiging naar viering" omdat het een verandering betreft die zich al heeft voltrokken of die zich bezig is te voltrekken. De commentaren zijn van mij.

De aspecten die Heitink noemt.

- 6.3.1. Van verkondiging naar viering. Door allerlei liturgische vernieuwingen is de zelfstan≠dige tekstuitleg door de predikant zeldzamer geworden. De preek heeft veelal zijn verkondi≠gend karakter verloren. Volgens een rooster leest de dominee stukken uit het Oude en Nieuwe Testament die hij met een zelfgeconstrueerde tekst verbindt, wat vaak kunstma≠tig aandoet. De voorganger is voor alles liturg. De preek is (slechts) een deel van een dienst. waarin het sacramentele element overheerst (235). Het karakter van de kerkdienst is ingrij≠pend veranderd en verschoof van verkondiging naar viering. Die 'viering' (officiŽle naam) is daardoor ambtelijker en plechtstatiger geworden (236).

Commentaar. Een afglijden in roomse richting. Sacramenten zijn scheppingsmiddelen, bedoeld voor ons harde hart. Het zijn o. m.afbeeldingen om het Woord te verduidelijken. Maar ze dreigen te verworden tot afgodsbeelden als ze het Woord gaan vervangen. Ze verworden dan tot zichtbare, voelbare, eet≠bare 'dragers van het heil', waarover de mens kan beschikken. De be≠hoeften van de 'gelovigen' normeren de eredienst. Tegelijkertijd krijgt ook de 'dienaar' door zijn rol in al die plechtigheden een 'verheven status'. Waar het Woord is verdwenen resteren slechts scheppingsmiddelen om ons te 'stichten' en ons het gevoel te geven dat we 'eerbiedig en serieus godsdienstig bezig zijn'.

- 6.3.2. Van onderricht naar vorming. De geloofsoverdracht door catechese en prediking is ingrijpend veranderd (237). De voorgeschreven vragen en antwoorden (methode van de H.C.) raken de problematiek van de moderne jongeren niet meer. Hun huidige problemen en hun ervaringswereld zijn de thema's gaan bepalen. Catechese werd tot 'inleiding in het leven van de gemeente'. Onderwijs werd tot vorming. Maar het aantal catechisanten nam drastisch af (238). Men moest voor hen nieuwe methoden bedenken (leerplannen). De kinderen na≠men al vrij jong deel aan het avond≠maal en de band tussen deze viering en hun geloofsbelij≠denis werd verbroken. Daarna brak voor de jeugd een periode van 'catechetische rust' aan. Want volgens de pedagogen mag je jonge adolescenten niet meer lastig vallen met cate≠chese. Vanaf 18 jaar werden ze weer daartoe uitgenodigd. Gevolg: veel jongeren volgen geen catechisatie meer en komen ook niet meer in de kerk (239).

Commentaar. De autonome jongeren moet je vooral niet met kerkelijke leerstukken voor de voeten lopen wan≠neer ze hun eigen fundamentele keuzen gaan maken. Dat moeten ze 'in alle vrijheid' doen. In feite (getoetst aan het Woord) laat de kerk haar eigen jongeren in de steek tijdens een kritieke periode in hun le≠ven. Maar er is een rechtvaardiging voor dit beleid: de deskundigen adviseerden hiertoe. Je sluit dus je bijbel en gaat af op de mening van de opvoedkunde. Die verandert nogal eens (zoals elke wetenschap). Wat is de taak van de opvoedkunde? O.m. het bestuderen van wetmatigheden in de schepping. Helaas kunnen de beoefenaars van deze wetenschap zich vaak niet beheersen en vermengen ze de uitkomsten van hun onderzoekingen met een flinke dosis ideologie.

- 6.3.3. Van heil tot heling (240). Het pastoraat kreeg onder Amerikaanse invloed meer het karakter van een helpende relatie met een therapeutisch accent (counselingbeweging). Dus geen Woordverkondiging of vermaning meer. Het heil van God werd vervangen door de in≠nerlijke heling van de mens: hij moest met zichzelf in het reine komen en een nieuwe relatie aan≠gaan met God, groeien in zelfvertrouwen en godsvertrouwen. De vier functies van de pasto≠rale zorg werden: helen, bijstaan, begeleiden, verzoenen (241). De mensen moeten met hun eigen verhaal deel krijgen aan het Verhaal van God met de mensen. De pastorale taken nemen sterk toe. De predikant wordt vooral 'begeleider' en laat zich ook graag 'pastor' noemen (242).

Commentaar.- Hier gaan scheppingsmiddelen de Woordbediening vervangen. Via het maatschappelijk werk zijn psychiatrisch heilzame methoden de kerk binnengekomen. Daar zijn ze ook de taak van het bijzon≠dere ambt gaan bepalen. De ambtsdrager wordt een soort amateur-therapeut. Hiermee is een ontwikkeling voltooid waarbij de gehoorzaamheid aan het Woord wordt vervangen door het welbevinden van de individuele gelovige mens.
- Dit alles durft men dan te verbinden met het herderschap ('pastor'). Maar er is geen echte 'kudde' meer. Immers, de 'schapen' kiezen elk voor zich hun eigen route en de 'herder'
begeleidt ze daarbij. Het le≠raarschap is verdwenen en daarmee ook het bijbelse herderschap. De predikant wordt 'inge≠huurd' als helper van de autonome gelovige. Een 'huurling' in dienst van het 'schaap'.

- 6.3.4. Van regering tot beleid. De klassieke kerkenraad werd vaak vervangen door een 'werk≠soortenkerkenraad' bestaande uit vertegenwoordigers van de drie ambten en afge≠vaardig≠den uit allerlei commissies (pastoraat, diaconaat, zending, jeugdwerk enz.). De pre≠dikant werd vooral opbouwwerker: hij moest een rol spelen bij de gemeenteopbouw (waar≠voor di≠verse modellen bestonden) (243). Soms moesten hiervoor gemeenten worden sa≠menge≠voegd. Bovendien kwamen er naast territoriale ook categoriale gemeenten. En daar≠naast ook mentaliteitsgemeenten, die beter aansloten op de gegroeide pluraliteit in geloofs≠beleving (bijv. een evangelische naast een vrijzinnige gemeente) (244).

Commentaar.- Om de eenheid te bewaren moet je scheppingsmiddelen aanwenden. Dus allerlei organisatori≠sche activiteiten onder de vlag van 'gemeenteopbouw'. Ook bij ons krijgt deze trend vaste voet. Gemeenten die al jaren normaal functioneren moeten plotseling 'opgebouwd' worden. In mijn eigen gemeente werd deze activiteit georganiseerd met behulp van een boekje (zie hierachter in de Bij≠lage) dat (naast veel goeds) ook nog een stoomcursus bevatte in de evangelische geloofscultuur. Ik vind voortdurende toerusting ('permanente educatie') van de gelovigen noodzakelijk, maar we moeten goed beseffen dat het idee en de me≠thode van gemeenteopbouw ontstaan zijn uit de nood van de menselijke autonomie die per definitie individualistisch is en de gemeente verstrooit. Als we dit individualisme bij ons toelaten (en daar≠heen zijn we hard op weg) moeten we ons inderdaad werpen op gemeenteopbouw - wil er tenmin≠ste nog iets van een 'samenzijn' overblijven.
- Splitsing in diverse plaatselijke gemeenten met elk een eigen ligging is natuurlijk een mooi organi≠satorisch middel om gelijkgezinden samen te brengen en wrijvingen te voorkomen. Als tijdelijk hulpmiddel is dit in onze kerken ook wel toegepast bij samensmelting van kerkverbanden. Als je dit maar niet gebruikt om
fundamentele verschillen permanent organisatorisch te regelen.

- 6.3.5. Van confessionaliteit tot spiritualiteit. Vroeger was de predikant ook bewaker van de rechte geloofsinhoud. Maar die inhoud werd steeds pluraler. Door die individualisering ver≠schoof de aandacht van de geloofsinhoud naar de geloofservaring. Men zocht voor het eigen geloof steeds minder steun in de leer maar al meer in de eigen ervaring (245). Dat gold ook voor de predikant zelf. Nadruk kwam op de spiritualiteit: gebedspractica, aandacht voor stilte en me≠ditatie, voor metaforen, symbolen en rituelen, bibliodrama enz. De predikant herkreeg de oude functie van mystagoog. Hij werd geestelijk begeleider en moest vanuit zijn eigen 'spiri≠tuele wortels' dienstbaar zijn aan de geloofsontwikkeling van anderen (246).

Commentaar.- Natuurlijk kan in zo'n kerk de rechte leer niet meer worden gehandhaafd. Als elk 'schaap' zijn ei≠gen gang mag gaan heb je als dominee op dit punt ook niets meer te bieden. De 'geloofservaring' (wat dat dan ook mag zijn) gaat het ambt bepalen. Dus ook de eigen geloofservaring van de predi≠kant. De mystiek wordt onderdeel van de taak van de dominee.
- De cirkel sluit zich, want op dit punt komen we een bekende tegen: ds. Jos Douma. Ook hij pleit voor de mystiek, allereerst bij de predikant zelf: "het hart van diens spiritualiteit wordt gevormd door de mystiek". Mystiek omschrijft hij als "het hartstochtelijk verlangen naar de gemeenschap met God, het zoeken naar de ervaring van Gods intieme nabijheid, de persoonlijke beleving van Gods aanwezigheid." Hij verwijst met instemming naar een (andere) publicatie van Heitink. Ook noemt hij Bras, die mystiek en kerkopbouw innig met elkaar verbindt. Als mysticus heeft de predikant in de gemeente de taak van 'mystagoog' (= begeleider bij de mys≠tiek van de gelovigen persoonlijk). Zie zijn boek
Veni Creator Spiritus, p.201.

 

Het is de vraag of de hier geschetste ontwikkelingen voor velen onder ons nog wel een schrikbeeld zijn. Wellicht zien ze die eerder als een voorbeeld, of zelfs als een wenkend perspectief. Wat doen onze predikanten?

 

6.4. Conclusies

 

- Deze beschrijving van de ontwikkeling binnen (vooral) de synodale kerken bevat diverse elementen die hier en daar ook voor onze ker≠ken al worden bepleit. We gaan dan met ruim een halve eeuw tussenruimte de synodale kerken achterna. De ellende is daar begonnen toen men ieder z'n gang liet gaan in het huldigen en uitdragen van allerlei 'wind van leer'.
- Het gebruik van scheppingsmogelijkheden gaat helaas vaak samen met een kritiekloos overnemen van methoden die het buiten de kerk ook goed doen. Als ze maar 'aanspreken'. Hun effect en nut geeft dan de doorslag (pragmatisme). Dit is o.m. een gevolg van onze bewondering voor de Amerikaanse successen in de huidige kerkelijke en religieuze wereld. Men gaat denken in getallen: het aantal 'toetreders' gaat bepalen of we op de goede weg zijn. (het aantal 'afhakers' wordt meestal niet genoemd).
Getalsmatige successen worden dan belang≠rijker dan trouw aan het Woord. De kerk wordt als een bedrijf afgerekend op de 'winst', wat 'het goed doet' is dan 'goed'. Dat Woordgetrouwe prediking ook (massale) afval mee kan brengen (vgl. Joh.6:66) telt niet meer mee.
- Moet dan alles bij het oude blijven? Natuurlijk niet. Maar wťlmoeten we veranderingen zorgvuldig overwegen. Hiervoor is geduld, oefening, overleg en groei nodig. Elke generatie wil uiteraard iets anders. Dat is al eeuwen lang zo. Na WO II en weer later in de jaren 60/70 moest ook "alles anders". Vandaag weer. Hierin zit ook een stuk onvrede van de verzadigde Westerse mens.
- Kortom, een levende kerk verandert voortdurend. Beslissend is de koers die je daarbij kiest. Gereformeerd is een oriŽntatie waarbij we ons voortdurend richten is op de absolute eerbied voor en voorrang van Gods Woord. Dat doel blijft bepalend ook als we voorzichtig en zorgvuldig scheppingsmogelijkheden willen gebruiken. Maar kiezen we als koers
het tegemoetkomen aan de moderne religieuze mens met zijn be≠hoeften en ge≠voelens dan komen we onherroepelijk uit bij een verwoestende pluraliteit.

 

God zij ons genadig.

 


Bijlage.

Opmerkingen vooraf.

Hieronder volgt een schrijven dat ik in eerste instantie zond naar de leden van mijn wijk. De aanleiding was het boekje Groeien als gemeente, deel 1 (28 p.) dat door de kerkenraad aan de gemeente was uitgereikt als leidraad bij de besprekingen over gemeenteopbouw.
Het is een uitgave van het GVI, steunpunt gemeenteopbouw, Zwolle. Gedateerd 2001.
Uit het Woord-vooraf het volgende: Het boekje is opgesteld door het GVI en gebaseerd op het boek van ds. Marius Noorloos Leven uit de Bron, via geloofsontwikkeling naar gemeenteopbouw. Omdat het betrekking had op de situatie in Samen-Op-Weg-kerken was het minder goed bruikbaar voor onze kerken. Daarom is het door het GVI bewerkt waarbij o.m. gebruik werd gemaakt van inzichten zoals die ontwikkeld zijn door ds. C.J.Haak, ds. P.W.van de Kamp en prof. dr. M. te Velde.
Uit deze mededelingen valt af te leiden dat de rol van deze personen niet wijst op een eventuele medeverantwoordelijkheid voor de inhoud van het boekje. In het onderstaande blijft die rol dan ook verder buiten beschouwing.

Het boekje is vermoedelijk niet via de boekwinkel te krijgen. Omdat het een eerste deel is kunnen we nog meer tegemoet zien.

Opmerkingen over "Groeien als gemeente" deel 1

1. Inleiding.

Ik wil voorop stellen dat er veel goede en mooie onderwerpen in dit boekje staan. De cursus wil ons iets leren. Inderdaad moeten we altijd bereid blijven onze kennis en vaardigheden te verbeteren. En als dit bovendien tot doel heeft actief te bouwen aan de gemeente kunnen we dit in principe alleen maar toejuichen. Dit neemt evenwel niet weg dat ik diverse bezwaren heb tegen wat deze cursus ons aanreikt. Ik wil daar het volgende van zeggen.

2. Bezwaren.
a). Er worden methoden toegepast die (gezien het ontbreken van uitleg en verantwoording) kennelijk bekend worden verondersteld. Een dom gemeentelid zoals ik kent ze echter niet.

- Zo lees ik op p.10 en 13 over de vijfvragen-methode. Als die alleen bestaat in de vijf daar genoemde vragen weet ik voldoende. Op p.14 lees ik over de Zweedse Methode. Als die alleen zou bestaan in het plaatsen van ťťn van de drie leestekens weet ik opnieuw voldoende. Is dat alles? De term 'methode' lijkt er evenwel op te wijzen dat er meer achter zit. En nog wel iets dat helemaal uit Zweden komtÖ.
b) Misschien ben ik te argwanend maar door de bekeringsideologie (zie bijlage) met haar oordeelsverzwakking ben ik zo geworden. Bij vraag drie (Zweedse Methode) wordt van mij verwacht dat ik aangeef wat mij in een bijbeltekst 'aanspreekt'. Het zal goed bedoeld zijn maar het selectieve bijbelgebruik bij de subjectivistische dwaling ("Alleen wat mij aanspreekt is voor mij van betekenis") moet voor ons toch een waarschuwing inhouden heel voorzichtig te zijn met het woord 'aanspreken'. De Heer Zelf spreekt mij aan in Zijn heilig Woord en dan past mij nooit, zelfs niet bij het kleinste onderdeel van dat Woord, een houding van 'dat spreekt mij niet aan'. Nogmaals, zo zal het niet bedoeld zijn maar de schrijvers van dit programma geven er ondertussen wťl blijk van dat ze het dodelijk gevaar van het subjectivisme (zie verder de bijlage) onvoldoende onderkennen.
c). In de "Bouwstenen" op p.25 e.v. lees ik allerlei aanwijzingen waarvan de meeste mij nuttig lijken. Bij een paar punten wil ik evenwel de vinger leggen:
- Er wordt verwezen naar het ND en naar Visie. Ik vraag mij af of deze bladen wel zonder commentaar kunnen worden aangeraden. Beide propageren stilzwijgend of expliciet de evangelische manier van geloven. Moeten we die overnemen?
- Wat is een gebedskaartje?. Alleen maar een lijstje met aandachtspunten voor de bidder zelf? Dan weet ik genoeg.
- We moeten stille tijd creŽren. Uit de jaren 30 van de vorige eeuw herinner ik mij de Oxford-beweging die daarmee werkte. In onze kring werd dit toen vrij algemeen afgewezen omdat men tijdens die stille tijd de Heilige Geest wilde laten werken en wel buiten het Woord om. Blijkbaar is dat vandaag gereformeerd en begrijpt iedereen waar het over gaat.
- Ik lees positieve uitlatingen over gebedskringen en gebedssamenkomsten. Naar mijn oordeel wordt het gebed in bepaalde kringen vaak misbruikt en bedreigt dit misbruik ons vandaag ook. Men kent aan het gebed dan een soort magische werking toe. Sommige uitwassen daarvan halen zelfs de pers. Bijv. als men op straat in een groep hardop staat te bidden voor een bepaald goed doel. Of als men een grote ketting of kring van bidders gaat vormen. Naar ik hoorde proberen de Amerikanen de gebedskracht objectief te meten - want als het niet helpt moet je toch wel iets anders verzinnen. Onderkennen wij wel voldoende het gevaar van de gebedsmagie?
- Men raadt aan in het gebed tijdens de kerkdiensten te vragen om een stilte in te lassen waardoor er ruimte komt voor "individuele gebeden of overdenkingen". Naar mijn mening wordt hier de individualistische cultuur ingedragen in de samenkomsten van Gods volk. Ik ervaar zo'n stilte als storend (ook al omdat ik niet weet wanneer die eindigt). Als gemeente roep je gemeenschappelijk de Vader aan. DŠt is een doel waarvoor je samenkomt. Wie persoonlijk nog meer wil zeggen aan zijn Vader heeft daar thuis of elders alle gelegenheid voor, bij voorkeur in de binnenkamer. Of is het gebed van de gemeente een extra gewijd moment, een gebeurtenis met meerwaarde, waarbij de verhoring beter is gewaarborgd? Welke gebedsmagie zit hier achter? Vroeger kenden we direct na de aanvang van de eredienst het zgn. 'stille gebed' - dat is m.i. terecht afgeschaft.
d) Hoofdstuk 2 (2e avond) gaat over de relatie met God Zelf (het "boven"-aspect van de gemeente, volgens p.8). Als het inderdaad om de relatie tussen de gemeente en haar Heer gaat verwacht een gewone gereformeerde dat dan de eredienst centraal zal staan. DŠŠr vindt immers de ontmoeting plaats. Als er ťťn gelegenheid is voor de relatie van de gemeente 'naar boven' is het in de eredienst. Over die ontmoeting kun je vervolgens heel zinnig met elkaar praten. Ik noem zonder volledig te zijn de volgende onderwerpen:
-
is er in de gemeente sprake van een 'trouwe kerkgang' (als graadmeter voor het belang dat we hechten aan de ontmoeting met "boven")?
- tonen we in de samenkomsten van Gods volk wel voldoende eerbied voor de aanwezigheid van de Hoogheilige? Hoe gedragen we ons daar? Zijn we bijv. feestelijk gekleed of is onze vrije-tijdsplunje goed genoeg?
- hoe kunnen we de eredienst het meest feestelijk vieren op een geestelijke manier die past bij het ernstige maar ook prachtige en diep-ontroerende gebeuren dat de Here Zelf ons daar roept en wil ontmoeten?
Maar wat doet het cursusboek? Daar staat niet de eredienst centraal maar, jawel, de persoonlijke omgang van ieder gemeentelid met God. Maar de ontmoeting van de Here met zijn volk is toch geen samentreffen van bekeerde individuen, die ieder voor zich hun relatie "naar boven" komen beleven? Op dit cruciale punt geeft deze cursus ons les in de subjectivistische evangelische benadering. Dit gebeurt zonder toelichting of verantwoording als was dit volkomen vanzelfsprekend.

3. Een paar slotopmerkingen.

a) Ter voorkoming van misverstanden wil ik nadrukkelijk stellen:
- de persoonlijke omgang met onze Vader is van beslissende betekenis voor ons geloofsleven en dus voor ons leven als lid van de gemeente; daar doe ik niets aan af;
- de bekering uitkomend in een gehoorzaam leven naar Gods Woord is een zaak die ook de gemeente als geheel aangaat; ook de gemeente als 'lichaam' kan afdwalen of zich bekeren.
b) Ik ben best bereid over alles te praten, maar ben niet bereid om bij voorbaat de gereformeerde levensstijl en de gereformeerde inrichting van de eredienst als slechts ťťn van de vele mogelijkheden om God te dienen ter discussie te stellen.


4. Conclusie.
Ik verzet mij tegen de methodiek van het cursusboek om onze kerken stilzwijgend (onder de wijde paraplu van het begrip 'gemeenteopbouw') te indoctrineren met een niet-gereformeerde religieuze cultuur, die het leven en de opbouw van de gemeente schaadt.

Dat is ook nooit ons doel met het Gereformeerd Vormings Instituut geweest.

 


Lijst van geraadpleegde literatuur.


Barrs Jerram en Macaulay Ranald, Geloven is weer mens worden. Apeldoorn 1998,
ISBN 90 6318 220 1 Vertaling van Being Human Inter-Varsity Fellowship U.S.A. 1978. Beide auteurs komen uit de school van Francis Schaeffer en hebben banden met de L'Abri Gemeenschap in Engeland.

 

Douma Jos, Veni Creator Spiritus. De meditatie en het preekproces. Kampen 2000,
ISBN
90 242 6309 3 (dissertatie Theologische Universiteit Kampen).

Douma Jos, Op het spoor van meditatie. Biddend luisteren naar Gods Woord. Kampen 2002, ISBN 90 435 0552 8 (predikant GKv).

 

Heitink Gerben, Biografie van de dominee. Baarn 2001, ISBN 90 259 5176 7 (em. hoogleraar praktische theologie aan de VU).

Jong Henk de, Voorrang van Woord op Antwoord. Wat is gereformeerd? In Radix, gereformeerd wetenschappelijk tijdschrift, jrg.29 no.2, 2003, pp 65-73 (em. predikant NGK).

 

Macaulay zie Barrs.

 

Nieboer mr.W. Woord en schepping. In Lucerna, gereformeerd interfacultair tijdschrift, jrg.1 no.2, 1959, pp.53-69

 

Schaeffer-de Wal mevr.drs.E.W. Het Koninkrijk van God als absolute eigentijdse werkelijkheid I, II en III. In Radix, gereformeerd werenschappelijk tijdschrift, jrg.19, no's 1,2,3, 1993, resp pp.10-37, 60-108, 148-215.

 

Trimp Dr.C. Klank en weerklank. Door prediking tot geloofservaring. 2e druk. Barneveld 1989, ISBN 90-6015-836-9 (em. hoogleraar Theologische Universiteit Kampen).