INHOUDSOVERZICHT

Woord, Rijk en schepping

een gereformeerd geloofskader

 

Opmerking: dit overzicht zal hier en daar een formulering bevatten die kan afwijken van de originele tekst. Laatstgenoemde tekst blijft beslissend is voor een correcte weergave van het boek.

 
H. 1. INLEIDING

 

1.1. Het doel van dit boek (p. 7)

Vóór alles gaat het in dit boek om de eerbiediging van de centrale en funderende plaats van Gods Woord als we gelovig bezig zijn met allerlei actuele vragen. Daarbij is de inhoud van de Schrift maatgevend. Die inhoud beslist ook over de plaats die de bijbel hoort te krijgen als we God de eer willen geven in onze huidige leefwereld.

1.2. Grondig gereformeerd (p. 8)

Dit boek wil gereformeerd zijn. Ik verzet mij tegen de uitholling van de term ‘gereformeerd’. Ik geef aan wat ik versta onder ‘gereformeerd’. Hierbij wil ik ‘grondig’ te werk gaan.

1.3. Een geloofskader (p. 8)

Het hier verdedigde geloofskader (soms ‘grondkader’ genoemd) omvat de hele werkelijkheid waarin Adam een plaats kreeg. Voor ons vandaag is het een basis waarop we bouwen om er actuele vragen mee te ontleden.

1.4. Woord, Rijk en schepping (p. 9)

Het geloofskader omvat drie onderwerpen, ‘terreinen’ of componenten, die ook het profiel aanreiken voor de drie as­pecten van het ambt dat de mens kreeg (profeet, priester en koning). Hiermee kunnen we onze plaats als mens en als kind van God nader bepalen en verhelderen.

1.5. De praktijk: een voorbeeld (p. 10)

Een voorbeeld laat de bruikbaarheid van het geloofskader zien. Zie verder pag. 127.

1.6. Overzicht van dit boek (p. 12)

Kort wordt aangegeven hoe dit boek is ingedeeld en welke onderwerpen aan de orde komen.

1.7. Leeswijzer (p. 12)

De woorden: Woord, Rijk en schepping worden omschreven. De bijvoeglijke naam­woorden hier zijn resp. feuderaal, regaal en creationeel. Verder o.m. over de gebruikte bijbelvertaling en de Notities.

DEEL I. HET KADER BESCHREVEN
H. 2. Woord, Rijk en schepping

In H. 2 een overkoepelende omschrijving van het geloofskader; in H. 3-5 de drie componenten afzonderlijk.

2.1. In het begin (p. 19)

2.1.1. Terug naar het begin (p. 19). Bij fundamentele beschouwingen moeten we altijd terug naar de situatie vóór de zondeval. Dat deden o.m. K.Schilder en F.A.Schaeffer ook.
2.1.2. In het begin: een nieuwe werkelijkheid (p. 20). God schiep de hemel en de aarde. Daarmee ont­stond Zijn Rijk waarvan Hij de Eigenaar is.
2.1.3. In het begin: de mens binnen de werkelijkheid (p. 20). De mens werd geschapen binnen een be­staande werkelijkheid, een ‘omgeving’ die bij hem paste. Direct na zijn schepping sprak God Zijn Woord tot hem, sloot Hij met hem het paradijsverbond en plaatste hem in Zijn Rijk.
2.1.4. In het begin: driedelige ambtsdienst (p. 20). God gaf de mens de eigenschappen die hij nodig had voor zijn bestemming. De mens kreeg als Gods evenbeeld het driedelig ambt. Verder over de zondeval en de betekenis van Christus’ werk.
2.1.5. In het begin: driedeling van Rijk, schepping en Woord (p.21). Het driedelig ambt van de mens – koning, priester, profeet - is een afspiegeling van de werkelijkheid waarin hij was geplaatst.

2.1.6. In het begin: geloofskader en zondeval (p. 22). De zondeval heeft het grondkader niet heeft ver­anderd. Wél zijn er nieuwe werkelijkheden bijgekomen (Satan en zonde enz.). Het grondkader is nodig om de betekenis van de zondeval te beschrijven.

2.2. Wat zegt de Schrift verder? (p. 23)

2.2.1. Het Oude Testament: de Psalmen (p. 23). De Psalmen bezingen God als de machtige en be­trouwbare Schepper beschermt Zijn volk. Hierover wordt gezongen vanuit het verbond.
2.2.2. Het Nieuwe Testament (p. 24). De Evangeliën staan vol van het Koninkrijk van God en van het
Woord. Dit Rijk is niet van deze wereld. Ook Openbaring brengt Rijk, schepping en Woord ter sprake.
2.2.3. De samenhang (p. 24). De drie componenten hangen nauw samen. Voorbeelden genoemd.

 

H. 3. Schepping

 

3.1. De schepping: een briljant geheel (p. 26)

3.1.1. Het werk van Gods hand (p.26). De hemel kent, als deel van het geschapene, eigen woorden, wet­ten en wezens. Totaal anders dan ‘onze’ aardse schepping.
3.1.2. Vijf soorten schepsels en hun samenhang (p. 27). Die soorten zijn: dingen, planten, dieren, mensen en geesten. De eerste vier hangen onderling samen. Alleen de geesten zijn anders.
3.1.3. De mens als ‘kroon’ op de schepping (p. 27). Als Gods evenbeeld steekt hij uit boven de enge­len. Hij kreeg ook een eigenschap van de engelen nl. een geest. Hij kan daardoor omgaan met God en tevens de schepping beheersen. Daardoor kreeg hij een dubbele positie: creationeel (beheersen, be­werken, benutten) en feuderaal (aangewezen op Gods Woord). Hij kan zich deels abstraheren van de overige aardse schepping en van zichzelf.

3.2. De schepping: een slagveld geworden (p. 28)

3.2.1. De schepping en de mogelijkheid van afval (p. 28). Mensen en engelen zijn zó geschapen dat ze ook konden kiezen tegen God: hun dienen van God moest vrijwillig zijn. Toch waren hun keuzemo­ge­lijkhe­den beperkt. Die beperkingen worden genoemd.
3.2.2. De schepping verworden tot Satans werkterrein (p. 29). Door de val van de engelen kwam de leu­gen in de werkelijkheid. De leugen schept niets nieuws: ze parasiteert op de waarheid en be­strijdt die. Satans plannen zijn ons bekend.
3.2.3. De schepping misbruikt door de zondigende mens (p. 30). De zonde zit niet in de schepping maar in het schepsel mens en in de geschapen duivelen. Misbruik van de schepping gaat ten koste van haar har­monische opbouw. Een paar voorbeelden maken dit duidelijk.

3.3. De schepping: God regeert, zorgt en redt (p. 31)

3.3.1. God onderhoudt en regeert (p. 31). Ondanks de ontwrichting van de schepping door zonde en vloek blijft God voor Zijn schepping zorgen. Soms grijpt Hij in ter wille van Zijn Rijk. De schepping blijft een instrument in handen van onze Vader.
3.3.2. De herschepping (p. 32). God zal de hele schepping redden door een catastrofale vernieuwing. De overwinning op Satan alleen is niet voldoende: de mens moest worden gered en wel door de Mens.

 

H. 4. Rijk

 

4.1. Plaats en aard van het Rijk (p. 34)

4.1.1. Scheppingsrijk (p. 34). Daartoe behoren ook de duivelen als geschapen geesten die zonder Gods wil niets kunnen doen. Hier heeft de val niets veranderd. God blijft regeren en leidt alles naar Zijn doel.
4.1.2. Het duivelrijk (p. 35). Dit is het tegen-rijk, ontstaan door de opstand van engelen en onder aan­voering van Satan. Het is een feuderaal, een ‘geestelijk’ rijk, want het wordt getypeerd door de afwij­zing van Gods Woorden. De bevolking bestaat uit schepselen, nl. uit duivels en afvallige mensen.
4.1.3. Het Koninkrijk van God (p. 36). Het Koninkrijk van God of van de hemel (het ‘Rijk’ genoemd) is overal aanwezig waar God wordt gediend naar Zijn wil. Het omvatte vóór de val ook het aardse schep­pings­rijk, dat samen met het hemelse een harmonische eenheid vormde. Door de val verliet de mens het Rijk. In Christus kwam het deels op aarde terug. Nu echter als een ‘geestelijk’ Rijk dat je alleen ziet als je ogen ervoor geopend worden.
4.1.4. De bevolking van Gods Rijk (p. 37). In deze bedeling wordt de menselijke bevolking van het Rijk door herschepping ‘geschapen’: geredde zondaars die al iets van het Rijk mogen laten zien.

4.2. De geschiedenis van het Godsrijk (p. 38)

De Bijbel is het boek van en over het van het Koninkrijk van God en over de geschiedenis daarvan.
4.2.1. De voorafbeelding van het Rijk in het oude verbond (p. 38). God bracht Zijn Rijk terug door de moeder­belofte. In Israël werd iets van het Rijk zichtbaar – ook voor het oog van de naburige volken.
4.2.2. De komst van het Godsrijk in het nieuwe verbond (p. 39). De koning van het Rijk kwam in de volheid van de tijd. Hij overwon Satan en liet door Zijn Geest de hele aarde delen in Zijn overwin­ning. Zijn Rijk is ‘geestelijk’, alleen te zien en binnen te gaan door aanvaarding van het Woord waar­mee de Geest de ogen en de weg opent.
4.2.3. De toekomst van het Koninkrijk van God (p. 40). Na een radicale, catastrofale ver­nieuwing zal het Rijk volledig hersteld worden en zullen hemel en aarde hun oude verbinding terug­krijgen. Daarna zal Christus het koningschap overdragen aan de Vader

4.3. Samenvatting en conclusies (p. 41)

 

H. 5. Verbondswoord

 

5.1. Verschillende Woorden (p. 42)

De term ‘Woord’ heeft in de bijbel verschillende betekenissen.
5.1.1. Onderscheidingen (p.42). 1. Het scheppingswoord. 2. Het verzorgende Woord. 3. Het Woord voor de geesten. 4. Het Woord als aanduiding van de Christus. 5. Het Verbondswoord gericht tot de mens.
5.1.2. Onderlinge samenhang (p. 43). Het onderscheid mag onze ogen niet sluiten voor hun samen­hang.

5.2. Verbondswoord en zondeval (p. 44)

5.2.1. Vóór de zondeval (p. 44). 1.Dit Verbondswoord had het karakter van vertrouwe­lijk ‘werkoverleg’ binnen een band van wederzijdse liefde. 2. Het Woord veronderstelde de schepping. 3. Het Woord ging boven de schepping uit. Zie het proefverbod. 4. Het Woord ‘verklaarde’ de schepping: alleen dáárdoor kunnen we naar waarheid iets zeggen over haar werkelijke betekenis, haar oorsprong, gebruik en bestemming.
5.2.2 Na de zondeval (p. 46). Bovengenoemde aspecten blijven gelden, maar wél verandert het Woord van karakter: Het wordt tot het verlossende Woord. Het veron­derstelt nu ook de erbarmelijke toestand van de mens na de val. Het blijft beloften en dreigingen bevatten die om antwoord vragen.

5.3. De majesteit van het Woord (p. 46)

5.3.1. Het Woord als licht en zwaard (p. 46). Twee beelden voor die majesteit. Licht. Gods Woord is de waar­heid. Zwaard. Verwijst naar strijd, duidt ook op de diepe doordringende kracht die alles bloot legt en tenslotte wijst het op het oordeel (waarbij getoetst wordt aan het Woord).
5.3.2. Het Woord: informatie, interpretatie en taxatie (p. 48). Een aanduiding met hedendaagse termen. Infor­matie. Waarheden die we anders nooit zou­den weten. Steeds is dit geloofs­kennis (beloften, be­moediging en voorbeeld). Gelovig kennen van God is een sleutelwoord in de Schrift. Interpretatie en taxatie. De bijbel geeft de hemelse taxatie en inter­pretatie van wat op aarde is en gebeurt. Zie bijv. Paulus’ rede op de Areopagus.

5.4. Terugblik en slotsom (p. 49)

5.4.1. Altijd bij het Woord beginnen (p. 49). Gebruiken van het Woord is onze profetische taak.

5.4.2. Woord en schepping (p. 50). We mogen genieten van de schepping en haar gebruiken om God te eren. Maar Satan misbruikt haar om ons van het Woord af te trekken. Het Woord leert ons hier de wijsheid om goed te onderscheiden tussen gebruik en misbruik. Onze priesterlijke taak.
5.4 3.Woord en Rijk (p. 50). De bijbel is het boek van het Rijk. De verhalen dienen als waar­schuwing en bemoediging. Herstel van ons koninklijk ambt – maar pas volledig na onze opstanding.

 

DEEL 2. VAL EN VLOEK
H. 6. Zonde

 

6.1. Zondeval en Woord (p. 55)

6.1.1. Tactiek: leugen in plaats van de Waarheid (p. 55). De slang ondermijnt Gods Woord. Het ‘aan God gelijk worden’ moest de drei­ging van de dood ontkrachten. Christus beriep Zich bij de verzoeking op het Woord..
6.1.2. Werking van de zonde (p. 56). De mens wil ‘als God zijn’ en zijn eigen waarheid maken, maar hij zit nu gevangen binnen de schepping omdat hij God en Zijn Woord verwerpt. Zonde is ten diepste af­keer van God, van Zijn Woord, Zijn Rijk en Zijn schepping.

6.1.3. Gevolgen van de zonde (p.57) (t.a.v. het Woord): Stuurloos­heid. De mens kon op eigen kracht de schepping niet harmonisch ont­wikkelen. Afgoderij. Zonder Woord moet de mens zijn eigen waar­heid maken, maar hij kan alleen maar in scheppingscategorieën denken en fantaseren.

6.2. Zondeval en schepping (p. 58)

6.2.1. Tactiek: met behulp van de schepping (p. 58). De vrouw kreeg een goed gevoel bij de gedachte van de boom te eten. Gevoel is een scheppingsgegeven. De vrouw had alle gaven om haar man te verleiden.

6.2.2. Werking van de zonde (p. 58). Algemeen kenmerk van de zonde: het aantrekkelijke en begeer­lijke van de schepping wordt ingezet tegen het Woord. De zonde is in die zin altijd ‘creationeel gemoti­veerd’, dat wil zeggen: uiteindelijk gaat het om de heerschappij over de schepping met voorbijgaan aan het Woord.
6.2.3. Gevolgen van de zonde (p. 59) (t.a.v. de schepping): Zelfbedachte doelen. De mens kan niet zonder hogere doelen om zin te geven aan zijn bestaan. Afgoderij. De mens gaat het geschapene als een god vereren met als diepste motief angst voor de dood, de Schepper en de Rechter.

6.3. Zondeval en Rijk (p. 60)

6.3.1. Tactiek: de baas worden ‘in eigen huis’ (p. 60). De mens werd niet ‘als God’ maar werd een mislukte imitatie van Hem: niet alwetend of almachtig. Hij verliet het hemelrijk en trad het duivelrijk binnen.
6.3.2. Werking van de zonde (p. 60). Zonde is autonomie: de mens wil zichzelf tot wet zijn. God laat hem tot op zekere hoogte begaan en laat hem zo zijn eigen onmacht tegenkomen.
6.3.3. Gevolgen van de zonde (p. 61) (t.a.v. het Rijk): Onzekerheid en onvrijheid. De mens kon de door hem gegrepen macht nooit waar maken. Hij werd afhankelijk van Satan die maar een schepsel is. Eigen beleid. De mens moest nu zelf zijn be­leid gaan maken. Afgoderij. Hier het aspect van aanbidding van de macht in een poging Gods regeer­macht te imiteren. Macht van de staat, van het volk, van de kerk of bijv. van het geld.

6.4. Kortom (p. 62)

Samengevat: zonde is verachting van Gods Woord en Gods Rijk mét en óm de schepping. Enkele ge­volgen: vertrouwensbreuk, dreiging binnen de schepping en machtshonger. Afgoderij. Zonder Woord vindt de mens zijn ‘godsdienstig materiaal’ alleen in het gescha­pene. Dat gaat hij ‘ver­goddelijken’.

 
H. 7. Vloek

 

7.1. God treedt op als Rechter (p. 63)

7.1.1. Dagvaarding en ondervraging. Dagvaarding (p. 63). God respecteerde de rechtspositie van de mens en riep hem ter verantwoording. Dat is de stijl van Zijn Rijk en verbond. Vaststelling overtreding. God stelt eerst de feiten vast: Woordverachting. Verder verhoor. De mens mag zich verweren. God gaat in op het brutale antwoord van de mens. De vrouw verwijst Hem naar de slang. Dan veroordeelt God inderdaad ook tot de slang.
7.1.2. Uitspraak (p. 64). Eerst richt God Zich tot de slang als instrument van Satan. Daarna recht­streeks tot de satan zelf en over diens ‘kop’ heen tot de mens. Nu pas hoort de mens over zijn verlos­sing Tenslotte de man: hij moet een slopende strijd voeren om zijn bestaan tot de dood erop volgt.
7.1.3. Tenuitvoerlegging(p. 65). De verdrijving uit de hof was een daad van genade, want de levens­boom moest onbereikbaar worden nu er slechts één andere Weg was geopend naar het leven. Eten van de levensboom zou eeuwige verwerping betekenen door afwijzing van Gods nieuwe weg.
7.1.4. Conclusie (p. 66). De vloek van Gen. 3 is een straf die de hele mensheid treft in haar geschapen be­staan, geen definitieve straf maar wel een onherroepelijke.

7.2. Het karakter van de vloek (p. 66)

7.2.1. Feuderaal, regaal en creationeel (p. 66). Feuderaal: het paradijsverbond definitief verbroken. De mens was geestelijk dood en hem restte de eeuwige straf. Regaal: het Rijk was door de mens verlaten, maar het kwam terug in het genadeverbond. Een Ander zou de straf dragen. Creationeel: De schepping is aan de zinloosheid onderwor­pen, maar werd geen puinhoop: God bleef voor haar zorgen, maar nu ook als strafmiddel.
7.2.2. Vergelding (p 68). Het strafkarakter van de vloek blijkt ook uit allerlei vergeldende elementen: ver­nede­ring van de slang, die zich boven de mens verheven had; de vrouw werd juist getroffen in haar vrouw-zijn; de mens in zijn hoofdtaak (het beheersen van de schepping). De eerste dood zou zijn aardse bestaan beëindigen.
7.2.3. Omvang (p. 69). Over de omvang van de vloek bestaat geen eensgezindheid. Uitersten J. Douma en Mevr. Schaeffer-de Wal. Eigen opvatting ligt daar tussen in.
7.2.4. Zelfvoltrekking (p. 70). De mens zelf wordt ingeschakeld in de executie van zijn straf: slopende strijd om het bestaan. De vrouw zal haar extra straf over zich afroepen door de man te blijven begeren.
7.2.5. Conclusie (p. 71). De vloek is vooral een aantasting van het geschapene als straf voor op­stand van de mens(heid) tegen de Koning door Zijn Woord te verwerpen.

7.3. De doelen van de vloek (p. 72)

7.3.1. Eerste doel: ruimte voor verlossing (p. 72). De vloek impliceerde uitstel en dus ruimte voor an­dere doelen dan alleen de vergelding. De mens werd ingeschakeld in een geestelijke strijd. De Mens overwon.
7.3.2. Tweede doel: appellerende ellende (p. 72).
Bij de vergelding werd de feuderale zonde gestraft met vooral creationele ellende. Zo werd voor ieder werd duidelijk dat deze aardse schepping verlost moet worden.
7.3.3. Hoogste doel: dienstbaar aan de verlossing (p. 73).
De vloek is voor de gelovigen niet langer een voorsmaak van de eeuwige dood, maar is genadig veranderd in tucht en komt ons dus ‘ten goede’. Want ons sterven betekent een afsterving van de zonde en een doorgang naar het eeuwige leven.

7.4. Kortom (p. 73)

In de vloek komen we ten dele ons eigen ‘kwaad’ in creationele vorm tegen. Dit wekt ons verlangen naar de terugkomst van onze Heer, Die alles nieuw zal maken.

 

H. 8. Ziekte

 

8.1. Zonde en vloek – onderscheiden en verweven (p. 75)

8.1.1. Werkingen van de zonde (p. 75). Indirect: gebrek de mens mist na de val het overzicht over de schepping en maakt allerlei fouten die hij te laat ondekt. Di­rect: de mens kan zich ook expres tegen de schepping richten om eigen doelen na te streven.

8.1.2. Werkingen van de vloek (p. 76). Moeilijk na te rekenen vanwege verschillende werkingen: a. strafaspect (onder­worpen aan vruchteloosheid en vergankelijkheid); b. strijdaspect (allerlei rampen die prioriteiten stellen in de strijd om te overleven)
8.1.3. Conclusie (p. 76). Werking van zonde en vloek vaak vervlochten. We missen een blauwdruk van een volmaakte schepping en kunnen dus niet vergelijken.
8.1.4. Bescherming tegen ontwrichting (p. 77). In de schepping zijn mogelijkheden ingebouwd die bescherming bieden bij aantasting door zonde of/en vloek. De mens kan van deze zogenaamde regeneratieve krachten ook actief toepassen. De ‘ellende’ van de mensheid is dus deels herleidbaar tot de zonde, deels tot de vloek, deels is er overlap­ping van hun effecten en deels is er een grijs gebied (waar een heldere ontleding niet lukt).

8.2. Zonde en ziekte (p. 78)

8.2.1. Aantasting kent meer dan één oorzaak (p. 78). Conclusie: schep­pingsontwrichting kent meestal niet één direct werkende oorzaak. Dit te zien is van groot belang voor het pasto­rale werk.
8.2.2. Misvatting (p. 78). Het geeft verwarring om elke ziekte een gevolg van de zonde te noemen. Het is van belang om te onderscheiden tussen ‘oorzaak’ als ‘creationele conse­quentie’ en ‘oorzaak’ als ‘gevolg van strafoplegging’ door God.
8.2.3. Troost (p. 79). Het onderscheid tussen zonde en vloek kan bij een concrete ziekte erg moeilijk zijn. Pastoraal blijven hier onbeantwoorde vragen. Maar de Schrift biedt een alles overtreffende troost.

8.3. Zonde en ziekte in het gevoelsleven (p. 80)

8.3.1.Opnieuw misvatting (p. 80). Bij het gevoelsleven wordt het onderscheid tussen zonde en ziekte het vaakst genegeerd. Vooral wanneer geloof een kwestie van gevoel wordt.
Oorzaken. De medische denkwijze. Artsen maken vaak een te scherp onderscheid tussen licha­melijke en psychische ziekten door een onjuiste mensleer. Gevoel als functie van de geest. Menselijke geest kan inderdaad niet ziek kan worden zoals het lichaam. Maar ook hier een onjuiste mensleer.
8.3.2. Het gevoel hoort bij het lichaam (p. 81). Het gevoel is ‘slechts’ een geschapen lichamelijke func­tie. Toe­lichting: 1. Het is vaak ‘instabiel’ en het mist de abstractie die de geest kenmerkt. 2. Het groeit mee met de overige lichamelijke ontwikkeling. 3. Hier treden gauw ontwikkelingsstoornissen op.
8.3.3. Troost uit de beloften (p. 82). Wat God belooft is onafhankelijk van wat wij daarvan voelen, opmerken, beleven of ervaren, Dit is een troost ook voor lijders aan psy­chi­sche ziekten.

 
DEEL 3. NADERE UITWERKING

De drie aspecten van de zonde worden hier drie invalshoeken om de zondewerking te ordenen.

H. 9. Met en om de schepping

 

9.1. Wat doet de zonde met de schepping? (p. 87)

9.1.1. Uitgangspunten (p. 87). Stellingen over de verhouding zonde – schepping. 1. De schepping als zodanig is niet zondig. 2. Het ge­bruik door de mens van de schepping daarentegen wel. 3. De zonde wordt het duidelijkst in het sociale leven omdat dit door de (zondige) mens actief moet worden verwer­kelijkt. 4. De schepping is een uiterst ingewik­keld kunstwerk dat gevoelig is voor elke behandeling in strijd met haar bestemming. 5. De schep­ping is gemaakt voor de liefhebbende mens die luistert naar het Woord.
9.1.2. De eerst moord (p. 89). De moord op Abel. Hoe God daarvóór en daarná optrad tegen Kaïn.
9.1.3. Chaos en verloedering (p. 90). De dagen van Noach, de zondvloed en daarna.
9.1.4. Babel (p. 91). De eensgezinde en georganiseerde mensheid in haar strijd tegen Gods Woord.

9.2. De lessen voor ons vandaag (p. 92)

9.2.1. Eerst voorbeelden uit onze eigen samenleving (p. 93). 1. Ontwrichting van sociale verbanden. 2. Over­heersing van het economisch nut. 3. Mijn rechten staan voorop.
9.2.2. De zonde-patronen veranderen niet (p. 94). In de hedendaagse situatie komen we gelijktijdig al­lerlei trekken tegen uit de tijd van Kaïn, Noach en Babel. Een opmerking over het overheidsambt.

9.3. De lessen voor de kerk en haar leden (p. 96)

9.3.1. Eerste facet: secularisatie of meedoen met de wereld door de kerk of haar leden (p. 96). Voor­beelden genoemd (w.o. toename huwelijks- en gezinsproblemen; pleidooi voor vrouw in het ambt).
9.3.2. Tweede facet: overmatig gebruik van scheppingsmiddelen binnen de kerk en bij de leden (97). Voor­beelden (w.o. overmatig accent op gevoel; gemeenteopbouw met creationele middelen).
9.3.3. Waakzaam en weerbaar (p. 99). We hebben te maken met onzichtbare boze mach­ten.

 
H. 10. Strijd tegen het Woord

Wie het Woord verwerpt moet zijn eigen ‘waarheid’ ontwerpen. Hier beperking tot afgoderij met denkstelsels.

10.1. Woord-imitatie – hoe gaat dat in z’n werk? (p. 101)

10.1.1. Algemene kenmerken van zo’n imitatie (p. 101). 1. Een waarheidskern wordt uitvergroot. 2. Die uit­ver­groting groeit uit tot een vanzelfsprekend algemeen geestelijk klimaat. 3. Er worden ingewikkelde ter­men gebruikt; velen haken dan af en worden weerloos.
10.1.2. Twee actuele stromingen (p. 102). De twee denkstelsels die in onze huidige cultuur grote invloed heb­ben zijn het modernisme en het postmodernisme.

10.2. Het modernisme: het menselijk verstand maatgevend (p. 103)

10.2.1. Het modernisme is niet van gisteren (p. 103). Het rationalisme (met het verstand verklaren van bijv. ge­loofszaken) heeft al eeuwen lang groot aanzien genoten. Maar het modernisme ging het ver­stand ver­goddelijken. Grote invloed van het natuurwetenschappelijk denken.

10.2.2. Karakter: het modernisme heeft op allerlei gebied consequenties (p. 104). 1. De mens kon met zijn ver­stand nu zelf de waarheid vinden. Gods Woord overbodig. De brede uitwerking heet ‘Verlich­ting’. 2. Gezag en God overbodig: het denken wees de goede weg. 3. Alle mensen zijn gelijk (door ei­gen verstand). Gevaar: er dreigt chaos te ont­staan – pogingen om die te voorkomen.

10.3. Het postmodernisme: het menselijk gevoel als maatstaf (p. 105)

10.3.1. Reactie-denken (p. 105). De ‘Verlichting’ beloofde het paradijs maar bracht een onbe­schrijflijke ellende. Uit reactie ontstond een levenshouding die ‘anti-redelijk’ was.
10.3.2. Karakter: een verwarrend aantal stromingen (p. 105). Hoofdlijnen. Verwijzing naar mevr. Oosterhoff. Een paar kenmerken: geen algemeen geldende waar­heid; ieder kiest eigen waarheid, re­ligie moet vooral thera­peutisch werken; de taal is een machtsmiddel; alle ‘grote verhalen’ (tradities, godsdiensten enz.) zijn verwer­pelijk.
10.3.3. Rammelend van de tegenstrijdigheden (p. 107). Deze beschouwing vertoont veel te­genstrijdigheden, maar haar aanhangers willen juist de rede(lijkheid) kwijt. Het persoonlijk welbevinden van de individuele mens staat centraal. Vandaar het chaotisch en the­rapeutisch karakter. Dit is verafgoding van ‘het goede ge­voel’.

10.4. De Waarheid op twee manieren bestreden (p. 107)

10.4.1. Het modernisme: directe aanval op de waarheid (p. 107). Het Woord in zoverre nog serieus genomen dat men het toetste aan de rede. Wat de mens niet kon begrijpen (bijv. de wonderen) was niet waar.
10.4.2. Het postmodernisme: de waarheid is onbelangrijk (p. 108). Deze aanval op het Woord is venij­niger: het Woord is oninteressant, je mag het geloven als dit je goed doet.

10.5. Hoe gaan we als gelovigen in de wereld met het postmodernisme om? (p. 108)

1. Dubbele moraal. We scheiden de zondag van de rest van de week (p. 109). Door de week doen we met de wereld mee. 2. Relativering: ieder zijn eigen overtuiging (p. 109). Het postmodernisme bevor­dert de houding ‘elke overtuiging is persoonlijk’, ieder kiest voor wat hem goed lijkt en goed doet.

10.6. Hoe gaan we in de kerk met het postmodernisme om? (p. 110)

1. De Waarheid in de ban van de visuele emotiecultuur (p. 110). Het goede gevoel gaat domineren; de kerk als therapeutisch instituut; opmars van de psychologisering om ons ‘geestelijk leven te saneren’.
2. De Waarheid in de ban van het pragmatisme (p. 111). Succes als norm voor het goede.
3. De Waarheid in de ban van het individualisme (p. 112). Gevoelens zijn strikt persoonlijk. Als het ‘grote verhaal’ van de bijbel wordt miskend, bevordert dit het persoonlijk geloofsgetuigenis als verkondigingsmiddel.
4. De Waarheid in de ban van de relativering (p. 113). Ieder kerklid gaat zijn eigen weg en vraagt ruimte (tole­rantie) voor het uitdragen van eigen meningen. Ook ‘de leiders’ kiezen vaak voor tolerantie.

10.7. Slotsom; waakzaam en weerbaar (p. 113)

Het gevaar van de hedendaagse westerse cultuur voor het geloof is niet minder groot dan het ge­vaar van vervolgingen. De waarheid van Gods Woord is veelzijdig: ze betreft niet alleen feiten, maar ook beloften en dreigin­gen, ze bevat ook taxaties en opent vergezichten naar de toekomst.

 

H. 11. Het aardse Rijk bedreigd

Nu het Rijk de invalshoek. Hier dwalingen die het Rijk meer ‘van binnen uit’ bedreigen.

11.1. Vooraf: hoe manifesteert het Rijk zich op aarde? (p. 115)

11.1.1. Het verbond; de unieke positie van de mens in het Rijk (p. 116).

11.1.2. Het verbondswoord; sleutel van het Rijk (p.116). De ambtelijke Woordverkondiging als spitsuur van de Heilige Geest. Het Woord opent en sluit het Rijk.

11.1.3. Het verbondsvolk; een koninkrijk van priesters (p. 117). Alleen door het Woord (‘geestelijk be­oor­deeld’) kan de kerk onderscheiden worden van andere ‘religieuze organisaties’.

11.2. De dwaling van het kader inwendig-uitwendig; het gaat om de verbondsbeloften (p. 118.)

Inleidende vraagstelling: Kan God wel ernstig iets beloven aan mensen die Hij niet uitverkiest?
1e foute antwoord: de beloften gelden niet voor de niet-verko­renen (dopers, lijdelijk). 2e foute antwoord: ik neem zelf de beslissende stap (evangelische tendens, activisme, innerlijke beleving). Gereformeerd ant­woord: deze vraag is fout, want zij roept God ter ver­antwoording
.

11.2.1. De lijdelijke, bevindelijke vorm. Gods belofte wordt niet serieus genomen (p. 119). Zekerheid buiten de belofte gezocht. Men wil Gods verlossingswerk logisch sluitend maken en trekt een scheids­lijn dwars door het Rijk: inwendig naast uitwendig verbond.

11.2.2. De evangelische vorm waarbij de mens zelfstandig kiest voor God (of voor Jezus) (p. 120). Ook hier geen geloofszekerheid door Gods be­trouwbare belovende Woorden. Vandaar de grote behoefte aan opwekking (want de mens heeft zijn twijfels en inzinkingen): steun zoeken bij elkaar, bij enthousiaste samenzang, bij stappenplannen, bij je eigen goede gevoel. Vooral hier komt het schema inwendig-uitwendig tot volle ontplooiing.
11.2.3. Samenvatting en waarschuwing (p. 122). Het voorgaande wordt puntsgewijs samengevat. Kun je wél op Gods beloften bouwen maar daar­naast ‘nog meer’ willen? Antwoord: als de beloften je echt bevrijden en rijk maken, heb je de evangelische ‘opwekking’ niet meer nodig.

11.2.4. Maar zitten in dit onderscheid dan geen waarheidselementen (p 123)? Zeker wel, naar de Schrift wordt de mens van binnenuit gestuurd want zo is hij geschapen, maar deze geschapen eigenschap mag nooit een al­lesbeheersend onderscheid worden.

11.3. De dwaling betreffende het werk van God de Heilige Geest (p. 124)

11.3.1. De ontwrichting zet door: God de Heilige Geest moet onze koers legitimeren (p. 124). Goede ge­voelens slijten snel. Dan al gauw de volgende stap: zekerheid zoeken in bijzondere werkin­gen van de Heilige Geest. Miskenning van het grote wonder van de wedergeboorte door het Woord.
11.3.2. Het Rijk grondig vertekend: verwarring van scheppingsrijk en hemelrijk (p. 124). Gebeurtenissen in de schepping vervangen de zekerheid van het Woord (mét de schepping tégen het Woord). Maar het Rijk is alleen zichtbaar door bekering. Voorbeeld: een boek van Morphew, hij verwart o.m. he­melrijk en scheppingsrijk.
11.3.3. De aard van het Woord miskend: geen oog voor de belofte (p.126). God belooft ons nergens dat Hij hier op aarde soms wondergenezingen zal geven. Morphew wil verklaren waarom niet iedereen wordt genezen. Hij verwart dan ziekte en zonde en verklaart het uitblijven van genezing tot een mysterie van het koninkrijk. Waarschuwing: ge­nezingen kunnen ook werk van Satan zijn.

11.3.4. Het voorbeeld uit de inleiding (p. 127). Zie pag. 10. Er kan nu meer gezegd worden over het voorbeeld.

11.4. Slotsom en uitleiding: waakzaam en weerbaar (p. 129)

De rode draad in dit deel is de werking van de zonde te laten zien. Keus voor één invalshoek sluit de andere twee niet uit. Dit met een voorbeeld verduide­lijkt.

 
DEEL 4. MEER DIEPGANG
H. 12. Ware wijsheid

 

12.1. Een eerste confrontatie (p. 135)

12.1.1. Wereldse wijsheid (p. 135). De Grieken zochten naar waarheid en wijsheid waarbij vanuit het gescha­pene aan de ‘godsdienst’ vorm werd gegeven.
12.1.2. De wijsheid van God) (p. 136). Paulus begint met God als Schepper en eindigt bij God als Rechter. Ga dus nooit met Hem om als was Hij een schep­sel. Die Schepper is ook de grote Wetgever en Rechter. En Hij heeft de recht­spraak opgedragen aan een Mens die Hij door Zijn almacht uit de dood heeft opgewekt.

12.2. Natuur en genade (p. 137)

12.2.1. Oorsprong en betekenis; houding tegenover de heidense filosofieën (p. 137). Enkele eeuwen later gin­gen christenen een wijsgerig-theologisch denk­stelsel ontwikkelen waarin allerlei elementen van de Griekse wijsbegeerte werden vermengd met gege­vens uit de Schrift. Zo ontstond het natuur-ge­nade-schema. ‘Genade’ is hier de geestelijke wer­kelijkheid (God, hemel, ziel, geest) en ‘natuur’ op de stoffe­lijke (aarde, lichaam). De val tastte de menselijke ziel (verstand en wil) nauwelijks aan: de mens kon met zijn verstand de waarheid kennen en met zijn wil veel goede dingen doen. Dit leidde in de kerk tot allerlei afwijkingen in leer en leven.
12.2.2. De Reformatie (p. 139). Zij herstelde de Schrift in zijn allesbeheersende positie, verwij­derde het huma­nisme uit de kerk, handhaafde de totale verdorvenheid van de mens door de zonde. De term ‘natuur’ kreeg de betekenis van ‘schepping’ en ‘genade’ van ‘her­schepping’. Op zich juist, maar het natuur-genade-schema zélf omvatte meer, nl. ook een twee­de­ling van de totale werkelijkheid.
12.2.3. Valkuil: secularisatie (p. 140). Die tweedeling heeft de Reformatie niet radicaal overwonnen. Daardoor bleef er steeds de dreiging van secu­larisatie en afdwaling.

12.3. De roomse invulling (p. 141)

12.3.1. De mens en zijn val (p. 141). Bij de val bleef de mens ‘natuurlijk goed’; hij verloor alleen de ‘genade’ als een bijkomende gave. De aardse zaligheid bleef binnen zijn bereik, maar de hemelse moest hij via de kerk terugkrij­gen. Dit leidt tot een groot optimisme over de mogelijkheid van de gevallen mens en tot een positieve houding over zijn prestaties (gevolg: secularisatie).
12.3.2. Het genadebegrip (p. 141). De genade wordt bij Rome slechts aan de natuur toegevoegd en ver­vol­maakt of veredelt deze. Bovendien denkt en spreekt men over de ‘genade’ vaak in creationele catego­rieën (‘ingegoten substantie’). De kerk beschikt hierover – o.m. in de mis.
12.3.3. ‘Geestelijke’ macht (p.142). De kerk beschikt met deze theologische filosofie van natuur-genade over de waarheid en ei­gent zich de bevoegdheden toe van Rijk en Woord. Ondermeer door onfeilbare uitspraken te doen over de waarheid, de kerk te organiseren als hiërarchisch machtsapparaat naar werelds model en een werelds staatje te vormen. Ze hanteert ook bewust creationele middelen in de eredienst.

12.4. Theologie en filosofie (p. 142)

12.4.1. Twee basiswetenschappen (p. 142). Uit onze opvatting volgt het onderscheid tussen twee on­derzoeksvelden. De filosofie onderzoekt de schepping (in de context van de totale werkelijkheid) en de theologie het Woord (in de context van de totale werkelijkheid). Beide basis­wetenschappen hebben allerlei dwarsverbindingen. Beide verschillen ook over de vraag wat waarheid is: de waarheid van het Woord is een andere dan de waarheid van het scheppingsonderzoek.
12.4.2. Gevaren (p. 145). Ten eerste: de filosoof neemt in zijn alomvattend stelsel on­derwerpen op waarover het Woord beslist. De opstandige mens wil altijd zelf zijn waarheid over de werkelijkheid ont­werpen. Ten tweede: de theoloog neemt onkritisch meningen over van scheppingsonderzoekers.
12.4.3. Verschil in denkhouding (p. 145). De filosofie moet waken tegen innerlijke tegenstrijdigheden, want die wijzen op verkeerde of onvoldoende onderscheiding van de werkelijkheid. De theoloog moet echter vaak waarhe­den, die verstandelijk niet te rijmen zijn, naast elkaar laten staan. Anders vervalt hij tot (scholastische) onderscheidingen als: inwendig – uitwendig, in ruime en in enge zin enz.
12.4.4. Eigen geloofskader is theologisch (p. 146). Omdat de uitgangspunten en gronden van eigen ge­loofska­der ontleend zijn aan het Woord, valt het onder de theologie.

 

H. 13. Na de Reformatie

 

13.1. Diverse stromingen (p. 147)

13.1.1. Het dualisme van het natuur-genade-schema (p. 147). 1. Het verdeelt de werkelijkheid in twee terrei­nen: geestelijk (genade) en stoffelijk (natuur). 2.Ook binnen de mens ontstaan twee ‘la­gen’: de geest en de stof (lichaam). 3. Het geestelijke staat dan boven het lichamelijke.
13.1.2. Luthersen (p. 148). Hoewel teruggekeerd naar het Woord, toch invloed van het natuur-genade-schema. Afwijzing van Rome ver doorgeschoten: de gevallen mens werd een ‘stok en blok’.
13.1.3. Dopersen (p. 149). Hier kenmerk 1 en 2 van 13.1.1. ineengeschoven: het genadeterrein werd dat van de menselijke geest en het natuurterrein dat van het lichaam en de wereld. Kerk en Woord zijn verdwe­nen; het Woord biedt geen ge­loofszekerheid meer. Vormt ook onderstroom binnen het calvinisme.

13.1.4. A.Kuyper en H.Bavinck (p. 150). Beiden aanvaardden het onderscheid tussen natuur en ge­nade, al spreekt Kuyper liever over schepping en herschepping. De betekenis van de verlossende ge­nade voor het dagelijkse leven wordt door Kuyper sterk gereduceerd. In het onderscheid tussen alge­mene en particuliere genade speelt het natuur-genade-schema een rol.
13.1.5. Samenvatting en beoordeling (p. 151). Het natuur-genade-schema is niet over de hele linie over­wonnen.

13.2. Het uitwendig-inwendig-schema (p. 152)

13.2.1. Tweeërlei innerlijke strijd (p. 152). Paulus doelt hierbij in Rom. 7 op de strijd binnen de gelovige en niet op een tweestrijd binnen ieder mens bijv. tussen egoïsme en altruïsme. Die laatste strijd kent de gelovige ook maar hij heeft nog meer en machtiger vijanden. Het natuur-genade-schema dreigt dit te miskennen; de psychologisering van het geloofsleven eveneens. De diepste geestelijke strijd gaat tegen onze volledige overgave aan Christus. Die strijd kunnen we uit onszelf niet winnen.
13.2.2. Uitwassen na de reformatie (p.154). Door de doperse dwaling krijgt het Platonische stof-geest-schema weer vaste voet. Dit Griekse heidendom heeft tot op vandaag grote invloed.

13.3. K. Schilder (p. 155)

Bij Schilder de eerste aanzetten om het natuur-genade-schema te doorbreken.

13.4. De Reformatorische Wijsbegeerte (p. 156)

13.4.1. Sterke selectie van onderwerpen (p. 156). Beperking tot onderwerpen die verband houden met plaats en uitleg van het Woord en met het geloofskader. In dit verband komen o.m. aan de orde: de alomvattendheid, het onderscheid tussen geloof en religie en het ‘hart’ als creatio­neel en religieus concentratiepunt.

13.4.2. Verdere beoordeling en conclusies (p. 158). De plaats van het Woord en Rijk is hier niet duide­lijk. Feu­derale werkelijkheden worden vaak geformuleerd in creationele categorieën.

 
H. 14. Weerhouding

 

14.1. Betekenis en oorsprong (p. 160)

14.1.1. Waar gaat het over (p. 160)? Kern van de weerhoudingsleer is de gedachte dat zonde en satan de schepping zouden verwoesten; een afzonderlijke invloed of kracht van God moet dit weerhouden. Vanuit het geloofskader – Woord, Rijk en schepping –  kan gesteld worden dat deze weerhouding een creationele werking blijkt te hebben (bewaring van de schepping) en een re­gale/feuderale werking (bewaring van het Woord en van het aardse Rijk).

14.1.2. De noodzaak van een algemene creationele weerhouding (p. 161). De gedachte van schep­pingsverwoesting door de zondeval leidde tot de aanname van een afzonderlijke tegenkracht van God (de ‘algemene genade’), die nodig was om de schepping te laten voortbestaan.
14.1.3. Hoe invloedrijk is deze leer (p. 162)? Deze leer reageert op de roomse leer en aanvaardt de probleemstelling die het natuur-genade- schema dicteert. De automatische totale scheppingsverwoesting is een overreactie op dit roomse schema. Hierdoor werd een aparte weerhoudende kracht nodig.

14.2. Enkele voorstanders (p. 163)

14.2.1. Abraham Kuyper (p. 163). Hij hanteerde o.m. het beeld van een ontsporende trein.
14.2.2. H. Bavinck (p. 163) o.m. over het bestaan van de duivelen.
14.2.3. De Reformatorische Wijsbegeerte (p. 264). H.Dooyeweerd spreekt in dezelfde geest: de zon­deval werkt scheppingsvernietigend. Hierachter zit ook de leer omtrent het men­selijk hart.
14.2.4. Twee kritische toetsen (p. 165). De leer van de scheppingsverwoesting botst met het voortbe­staan van het duivelrijk(één en al zonde en toch voortbestaan) en met de verdrukking in de laatste da­gen (onderscheid tussen creationele en feuderaal/regale weerhouding is dan essentieel).

14.3. K. Schilder (p. 166)

14.3.1. Ander denkklimaat: de tijd als rem (p. 166). De weerhouding hier eigen aan de tijd. Alleen in de eeuwigheid ontbreekt ze. Dit standpunt heeft vérgaande consequenties. Er worden drie genoemd.
14.3.2. Beoordeling van Schilder (p. 166). Vijf kritische kanttekenin­gen geplaatst.

14.4. Eigen standpunt (p. 168)

14.4.1. Christus’ lijden is de enige maat (p. 168). Ernst van de zonde stond direct bij de val volledig vast. Deze ernst is alleen af te meten aan de onmetelijke diepte van Christus’ lijden.
14.4.2. De schepping bleef bestaan (p. 168). De mens is bij de val volledig mens gebleven en zou zó de eeuwige straf moeten ondergaan. De overige schep­ping, die er al was vóór en zonder de mens, bleef God met Zijn verzorgende Woord ‘gewoon’ onderhouden.
14.4.3. Vloek en regeerbeleid (p. 169). De vloek op de schepping laat zien dat de val het bestaan van de schepping niet bedreigde. Wél kan er in Gods beleid op allerlei punten van weer­houding worden gesproken, naast bevordering van de zonde. God toont vaak geduld, doet goed aan de bozen.
14.4.4. De regale weerhouding (p. 170). De satan wordt voor een tijd gebonden. God zorgt voor de Woordver­kondiging, voor de kerk en het aardse Rijk – vooral in de eindtijd.

 

H. 15 Beeld van God

 

15.1. Verkenning; invloed natuur-genade-schema (p. 171)

15.2. Wat zegt de Schrift? (p. 173)

15.2.1. Ieder mens kan voldoende van God zien (Rom. 1) (p. 173). De mens kan onzichtbare eigen­schappen van God met zijn geest in de schepping waarnemen. Verband met het beeld van God.
15.2.2. Heidenen doen de wetswerken ‘van nature’ (Rom. 2) (p. 174). De mens kan na zijn val een deel van Gods Wet ontdekken als heilzaam voor zijn samenleven en dit zijn kinderen inprenten. Verband met het beeld van God.

15.3. De taal van de belijdenis (p. 176)

15.3.1. De belijdenis over Gods beeld (p. 176). Heeft de gevallen mens restanten van de feuderale goedheid behouden? Nee, want de mens is door de val feuderaal totaal verdorven, geestelijk dood.
15.3.2. De Dordtse Leerregels wijzen de weg (p. 176). De mens is ondanks de val wél een compleet mens ge­bleven met al zijn creationele eigen­schappen. Hij werd geen ´stok en blok´.
15.3.3. Het licht verkeerd gebruikt (p. 177). De mens verduistert dit licht. Hier de DL geciteerd.

15.4. Conclusies (p. 177)

15.4.1. Zondeval en evenbeeld van God (p. 177). De mens heeft in creationeel opzicht het beeld van God in ontluisterde staat behouden, in feuderaal en regaal opzicht heeft hij het totaal verloren.

15.4.2. Nog geen volledig herstel (p. 178). In dit aardse leven is de wedergeboorte wél een radicale in­greep: het begin van de herschepping van hemel en aarde. Het creationele element wordt echter ont­luisterd door de zonde en vooral door de vloek. Het feuderale element heeft juist de executie van de vloek no­dig om verlost te worden van de zonde. Het regale element wordt nog in be­slag ge­nomen door de strijd tegen de zonde – ons hersteld koningschap kent in deze bedeling nog maar een klein begin. Maar het begin is er en in dit opzicht is de toekomst al begonnen.

 
Verklarende woordenlijst (p. 191)