Notitie 1

 

(Bevat een uitweiding bij diverse hoofdstukken, met name bij H. 3.1.3.)

 

De gereformeerden en de mensleer

Een globaal en beperkt overzicht

Deze aantekening bevat een korte weergave van enkele meningen en discussies die in de vorige eeuw tussen gereformeerden zijn gevoerd over de mensleer.

 

1.1. De vroegere benadering

De mensleer en de klassieke zielkunde. De mensleer is lange tijd het terrein geweest van filosofen en theologen. Het was wat men wel noemt een ‘geesteswetenschap’. Daarbij ging het niet zozeer over de details van het lichaam maar over de totale mens en met name over zijn ziel. Omdat ‘ziel’ in het Grieks ‘psyche’ heet noemde men de wetenschap die zich hier­mee bezig hield ‘psychologie’. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat een theoloog als H. Bavinck een boek over psychologie schreef. Hij was een universeel geleerde en zijn werk op dit punt getuigt van enorme kennis en belezenheid.

Onderzoek mogelijk. Het betekende een grote omwenteling toen andere disciplines zich gingen bezig houden met ‘de ziel’ zoals die door theologen en filosofen was beschreven. Zij toonden aan dat deze ‘ziel’ toegankelijk was voor wetenschappelijk onderzoek met metho­den die buiten de theologie en filosofie lagen. Zo kwam de psychiater S.Freud met theorieën over het drift- en gevoelsleven, waarmee hij allerlei stoornissen verklaarde. Zijn methode was in feite die van de exacte wetenschappen, die volgens de toenmalige mode eigenlijk alleen maar aanspraak konden maken op de naam ‘wetenschap’. Hij ontwierp een reeks samenhangende modellen van het menselijk ‘psychisch mechanisme’, waar de processen met een natuurkundige causaliteit verliepen. Een nadeel was dat de bewijzen, die de natuurkunde eisten, bij Freud ontbraken en dat zijn theorieën in het laboratorium niet konden worden nagedaan. Toch heeft Freud tot op vandaag een enorme invloed – groter dan velen beseffen. Dit geldt vooral zijn leer van de neurosen en daaraan gekoppeld de ontwikkelingspsychologie (vorming en fasen van het kinderlijk gevoelsleven). Hij stelde dat ontwikkelingsstoornissen en beschadigingen in het groeiende kinderlijke gevoels- en driftleven op latere leeftijd tot allerlei psychische stoornissen komen leiden. En omgekeerd: psychische problemen bij volwassenen wezen op ontwikkelingsstoornissen tijdens hun jeugd. Later breidde Freud zijn aandacht uit naar de ontwikkeling van de mensheid en de godsdienst (die z.i. een neurose was). Hij maakte daardoor van zijn wetenschappelijke hypotheses een levensbe­schouwing met allerlei theologische implicaties.

In ons land vond een andere ontwikkeling plaats die ook grote belangstelling trok. G.Heymans en E.D.Wiersma (resp. filosoof en psychiater) behoorden hier tot de pioniers die het tempera­ment van de mens via testonderzoek gingen indelen in diverse typen (de zgn. ‘kubus van Heymans’).

 

Gevolgen. Door deze ontwikkeling ging zich een onderzoeksterrein afsplitsen dat tot op vandaag ‘psychologie’ heet en dat zich bezig houdt met onderwerpen die bijv. Bavinck ook behandelde. Aanvankelijk was de pretentie van veel ‘nieuwe psychologen’ dat ze inder­daad met de menselijke ‘ziel’ bezig waren en dat ze dit onderwerp van filosofen en theolo­gen hadden overgenomen. Maar dit was een overschatting. Want hun onderzoeksterrein besloeg slechts ten dele wat men vroeger ‘ziel’ noemde. Antwoorden op de grote vragen omtrent de mens en zijn geschapen structuur kon deze nieuwe wetenschap niet geven (al probeerden sommigen dit wél). Die problemen bleven voornamelijk bij de theologen en filo­sofen liggen en daarom kun je (om verwarring met de ‘nieuwe psychologie’ te voorkomen) hier beter een andere naam gebruiken zoals mensleer of antropologie (van het Griekse an­thropos = mens). Wat Bavinck dus ‘psychologie’ noemde was een mengsel van antropolo­gie met onderwerpen die daarvan later zijn afgesplitst en die vandaag onder de ‘psycholo­gie’ vallen.

 

1.2. De klassieke gereformeerde opvatting over de mens

Publicaties van H.Bavinck. Hiertoe beperk ik me. Hij schreef o.m. Beginselen der Psycholo­gie, 1e druk1897, 2e druk (bewerkt door V.Hepp), Kampen,1923, en Bijbelsche en religieuze psychologie, Kampen 1920.

Hepp deelt in het ‘Woord vooraf’ bij de 2e druk van Beginselen mee dat Bavinck met de eerste druk niet meer zo gelukkig was en nog graag “een nieuwe constructie van zijn psychologie” had willen geven. Bavinck had sommige stukken al omgewerkt maar is niet toegekomen aan een volledig nieuwe tekst. Hepp had zelf ook bezwaren maar de uitgever wilde zoveel mogelijk aansluiten bij de 1e druk.

De ziel wordt in de Beginselen gedefinieerd als “een eigene, van het lichaam wezenlijk on­derscheiden, geestelijke zelfstandigheid (..) met een eigen oorsprong, wezen en duur.” (p. 37). We kunnen zijn beschouwing het beste begrijpen vanuit de stelling dat er naast de materie (= stof, het stoffelijke) nog iets anders is, iets ‘geestelijks’. Daarmee koos je direct al positie tegen het materialisme, dat alles tot de stof herleidde. Maar de keerzijde was dat het denken zich maar moeilijk kon ontworstelen aan het oude Griekse stof-geest-schema.

Nieuwe problemen. De invloed van dat schema zorgde voor nieuwe problemen. Ik noem:
1) Omdat planten geen dode dingen zijn (dus niet alleen ‘stof’ zijn) maar ‘leven’ hebben, moeten ze ook zoiets als een geest of ziel bezitten. De voorkeur ging uit naar ‘ziel’. Dieren ‘leven’ ook en heb­ben dus ook een ziel. Bavinck schrijft: “Doordat de mensch eene ziel is, is hij natuurlijk aan planten en dieren verwant” (p. 42).
2) Maar de mens heeft ook een geest en engelen zijn ‘geesten’. Hoe is nu de verhouding tussen ziel en geest? Wat is het eigene van de mens? De oplossing is als volgt: De ziel van de mens is zijn geest die is georganiseerd in en aangelegd op een lichaam (p. 43). Bavinck: “(……..), wijl zijn geest zoodanig is georganiseerd, dat deze, indalende in het uit stof gevormde lichaam, den mensch maakt tot eene levende ziel, Gen. 2 : 7.” En even verder: de geest is het beginsel en de kracht van het leven en de ziel is de zetel en het subject ervan. De mens heeft een geest maar is een ziel, en­gelen zijn alleen geesten, dieren alleen (levende) zielen. Geest en ziel duiden dezelfde innerlijke mens aan, maar dan van verschillende zijde bezien (1920 pp. 57/8). Daarmee handhaafde men een tweedeling (of dichotomie) en verwierp een driedeling (of trichotomie) die de ziel als een zelfstan­dige schakel beschouwde tussen lichaam en geest.
3) Welke concrete betekenis had nu die ‘geestelijke oorsprong’ van de menselijke ziel (waardoor de mens uniek werd)? Om die betekenis te laten zien kende men aan de ziel ‘vermogens’ toe. Bavinck onderscheidde twee zielsvermogens: het denken en het willen. Anderen wilden het gevoel er nog bij hebben.
4) Een vraag die toen rees was: welk vermogen is overheersend? Als het verstand overheerste werd alles bepaald door de ijzeren wetten van de logica en dreigde men te vervallen tot wat ‘deter­minisme’ werd genoemd: alle menselijke keuzen en handelingen waren het noodzakelijke gevolg van zielsprocessen (een soort natuurcausaliteit, die we ook bij Freud aantroffen). In deze opvatting bestond er geen vrije wil, dus ook geen schuld (dat beweer­den de materialisten ook). Het determinisme vindt tot op vandaag in ‘de wetenschap’ veel aanhan­gers. Vandaar dat de gereformeerden kozen voor het primaat van de wil en zich vervolgens moes­ten verdedigen tegen de deterministen (die uit hun onderzoekingen toch eigenlijk wel goede argu­menten konden putten), door te stellen dat allerlei lichaams- en zielsprocessen wél grote invloed hadden op de wil (dus geen indeterminisme of willekeur) maar uiteindelijk de wilsvrijheid voor be­langrijke keuzen toch intact lieten.
5) Deze antropologie leverde weliswaar een vrij gedegen en schijnbaar goed ‘dichtgetimmerde’ the­orie op, maar het was geen specifiek gereformeerde beschouwing omdat men nauw aansloot bij di­verse gangbare antropologieën en vooral bij die van de scholastiek en het thomisme (dat veel van de Griekse antropologie in zich opgenomen had). Voordeel was wél weer dat de reformatoren en de opstellers van onze belijdenisgeschriften dezelfde antropologie hanteerden. Ziel en lichaam zijn hier twee verschillende substanties: een stoffelijke en een geestelijke. ‘Substantie’ is een term uit de wijsbegeerte waarmee een zelfstandige geschapen drager van eigenschappen wordt aangeduid. Die eigenschappen heten dan ‘accidentia’.
6) Een groot probleem was: waar komt de ziel van de mens vandaan? Bij planten en dieren kon men nog denken in termen van erfelijkheid (overdracht bij de bevruchting van erfelijke factoren) maar de ‘ingeschapen geest’ bij de mens wilde men daarmee niet verklaren. Het creatianisme stelde dat bij elke nieuwe mens de geest door God werd ingeschapen en het traducianisme verde­digde een overdracht van de ziel/geest bij de geslachtsgemeenschap. Moeilijkheid bij de eerste was de erfzonde: God kan geen zondige ziel scheppen. Probleem bij de tweede was onder meer dat tussen geslachtsgemeenschap en conceptie enige tijd verloopt.

1.3. Kritiek hierop door de Reformatorische Wijsbegeerte.

Onderscheiden functies. In dezelfde twintiger jaren van de vorige eeuw kwam een er een nieuwe stroming binnen het gereformeerde denken, die vandaag meestal als de ‘Reformato­rische Wijsbegeerte’ wordt aangeduid (of nog met de oorspronkelijke naam “Wijsbegeerte der Wetsidee, afgekort als WdW). Deze onderscheidt een ‘opklimmende reeks’ van wets­kringen die corresponderen met even zoveel functies of modaliteiten van het geschapene. De pretentie van deze wijsbegeerte is dat verwarring van modaliteiten leidt tot aantoonbare (logische) tegenstrijdigheden.

Het menselijk hart. Al die functies vinden hun eenheid en concentratie in het menselijk hart. Hart, ziel en geest zijn in principe identiek, het zijn alleen verschillende benamingen voor één geschapen ‘middelpunt van de mens’. Je mag aan het hart nooit één of meer functies (ver­stand of/en wil of/en gevoel) toekennen, want het hart stijgt boven alle functies uit en drukt zich daarin uit. De scholastieke mensleer deed dit wél en verdeelde de mens dus in twee ‘functiecomplexen’ die ‘lichaam’ resp. ‘ziel’ werden genoemd. Echter, alle functies of modali­teiten behoren in deze nieuwe benadering tot het lichaam.

Onderlinge verbanden. De functies of modaliteiten zijn nauw met elkaar verbonden: de ‘ho­gere’ veronderstellen de ‘lagere’: de biotische functie ‘leven’ veronderstelt de functies van de dingen en is daar nauw mee verbonden. Maar omdat alle functies die ‘boven’ de bioti­sche functie liggen (voelen, denken, geloven enz.) ook de biotische functie leven veronder­stellen komt ‘het leven’ op een aangepaste manier terug in die ‘hogere’ functies.

- In een referaat van Dr. D.H.Th. Vollenhoven (een grondlegger van deze wijsbegeerte) uit 1929 voor de Gereformeerde Psychologische Studievereeniging, getiteld De eerste vragen der psycholo­gie, (niet in de handel) stelde hij: de psychologie is een vakwetenschap die de psychische wetskring (kern: het gevoel) onderzoekt. Een vakwetenschap ontstaat primair uit de synthese van de analyti­sche activiteit (kern: logisch denken) van de onderzoeker met de niet-analytische analyseerbare modaliteit van het onderzochte (p. 10). Dat geldt voor elke wetenschap: de denkactiviteit (de logische functie) van de onderzoeker is gericht op een andere functie of modali­teit om daarmee analyserend bezig te zijn: fysica, biologie, psychologie, economie, recht, theologie enz.
- Vollenhoven definieert ‘psychologie’ veel meer in overeenstemming met de moderne ontwikkeling en sluit dus beter aan bij het vak psychologie dat zich ontwikkeld had als onderzoek en meting van bepaalde menselijke eigenschappen en vaardigheden. Al moet hierbij aangetekend worden dat dit vak zich in de praktijk niet stoort aan de ‘modale grenzen’ (van de Reformatorische Wijsbegeerte) en alles onderzoekt aan de mens wat vatbaar is voor hun meetmethoden (neurofysiologie, abstractievermogen, sociale vaardigheden enz.).

1.4. A.Janse

Kritiek op doperse uitwassen. Grote invloed op de discussie heef A. Janse gehad. Hij was hoofd van de christelijke school in Biggekerke (Walcheren) en schreef met een indrukwekkende kennis van zaken en diepe eerbied voor de Schrift. Hij legde in zijn bestrijding van de klassieke dicho­tomie vooral de nadruk op de doperse uitwassen daarvan. Men concentreerde zich dan op de ‘ziele’ (innerlijke ervaringen, wedergeboorte), en al het andere was van minder belang. In 1934 schreef hij De mensch als levende Ziel, Culemborg (50 pagina’s). Hij verzette zich te­gen de invloed van de Griekse filosofen die tot nog toe ons de grondbegrippen hebben ge­leverd voor de christelijke anthropologie. “Dit boekje is een poging om de termen der Heilige Schrift in eere te herstellen….”(Woord Vooraf).

Afgoderij met het IK. Later schreef hij Van Idolen en Schepselen, Kampen 1938. Hij keerde zich o.m. tegen de toenmalige mode onder christenen om door cursussen de kern van de eigen persoonlijkheid te ontwikkelen. Deze mode was ingegeven door de idee (‘idool’) van een ‘hoger Ik’, een Ik-punt binnen in mijzelf, dat “dichter bij God zou zijn dan mijn hand of voet” (pp. 8 e.v.). Hij sloot zich in grote lijnen aan bij de WdW (het driedelige grote werk van
Dooye­weerd was in 1935/6 verschenen).

De kritiek van Janse is vandaag nog actueel – al zijn de gebruikte termen misschien anders. De ik-gerichte bekeringstheorie met grote invloed van psychologische of psychiatrische denkwijzen en methoden zijn onder christenen vandaag erg in de mode (Nieboer, Dankbaar Gereformeerd, 2004, par.5.2.2). Het verschil is misschien dat Janse meer te maken had met de doperse wereldmijding en wij vandaag met het andere uiterste: de doperse wereldgelijkvormigheid.

Bestrijding door J. Ridderbos. Janse wordt uitvoerig bestreden door J. Ridderbos in Schrif­tuurlijke Anthropologie? Aalten, z.j. (een bundeling van artikelen in het Gereformeerd Theo­logisch Tijdschrift van jan. tot juni 1939). Ridderbos neemt in zijn kritiek ook de WdW mee en verwijst met instemming naar de brochures van Hepp Dreigende Deformatie.

- Ridderbos verdedigt de klassieke dichotomie. Zijn boek is een mooie samenvatting van dit ge­dachtegoed. Zijn opstelling verraadt een spreken vanuit een gevestigde theorie/theologie, die ‘nieuwlichters’ min of meer de les leest. Dat is vaak de houding van de ‘bestaande orde’ die zich verdedigt tegen een nieuw denkkader (of paradigma).
- Omdat de klassieke dichotomie vrij veel problemen met zich meebracht zou men van een geleerde als Ridderbos meer terughoudendheid verwachten. Maar dan komt men bedrogen uit want de felle bewoordingen waarmee Ridderbos Janse en de WdW afwijst, laten zien dat het hem bloedige ernst is. Over Janse zegt hij: als de tegenstanders van Janse, hem op zijn ergst zouden nemen, dan “zouden ze hier niet maar met Prof. Hepp van “dreigende deformatie” spreken, maar wellicht komen tot een antwoord, dat het klassiek-beruchte: “hij eruit of wij eruit!” zeer nabijkwam.” (p.7). Deze dreigende taal tekent de sfeer van de toenmalige verhoudingen.

Janse antwoordt met Om de levende Ziel, Goes z.j. (1940?). Het boek begint met enkele reacties op zijn eerdere publicaties. Op p. 12 citeert hij een roomse hoogleraar die naar aanleiding van de Wiisbegeerte der Wetsidee o.m. schreef: “Nog kortgeleden zijn de Gere­formeerden met de wijsbegeerte begonnen. Eerlijk gezegd, meen ik, dat de philosofische kolder hun in het hoofd is geslagen”. (Prof. J.P.Veraart in “Het Schild” geciteerd door het Al­gemeen Handelsblad).

Het bovenstaande is maar een greep uit de discussies van kort voor WO II. Er was veel meer aan de hand. Binnen de klassieke mensleer worstelde men ook met allerlei vragen. Zo schreef prof. J. Waterink Oorsprong en Wezen der Ziel, Wageningen, 2e dr.1932. Hij verdedigde een antropologie die zich niet verdroeg met wat de belijdenis zegt over de menselijke natuur van Christus. Hij werd bestreden door o.m. ds. H. Steen in Persoon, Geest en Ziel, Utrecht 1935 (288 pagina’s!). Waterink heeft later enige afstand genomen van zijn opvattingen.

1.5. Dogmatische verbanden

In het bovenstaande hebben we de mensleer geïsoleerd bekeken. Tot op zekere hoogte is dat ook mogelijk. Maar de standpunten die hier worden ingenomen staan op diverse punten ook in wisselwerking met andere terreinen van de theologie. We wijzen op de leer van de twee naturen van Christus, op die van de werking van de Geest in de gelovige en op de ethiek (schema inwendig – uitwendig). Een voorbeeld van het laatste is te vinden in J. Wesseling en E.Brink Alles in Christus. De wissel om bij Watchman Nee? Uit­geverij Woord en Wereld 1997 (no. 35 van de reeks). Afgaand op deze deskundige auteurs blijkt dat W.Nee onderscheid maakt tussen lichaam, ziel en geest (een trichotomie dus). Het lichaam is hier de verbinding met de stoffelijke wereld, de ziel is ons zelfbewustzijn (orgaan voor verstand, wil en gevoel), de geest is het Godsbewustzijn (mogelijkheid voor contact met God). Adam was nog niet af, hij was ‘neutraal’ en moest nog kiezen voor de eenwording met God door af te gaan op zijn goddelijk element: zijn geest. In de val gaat hij helaas af op zijn ziel, waardoor de geest in coma raakt en wacht op een nieuwe geboorte (die al direct vanaf zijn schepping noodzakelijk was). Het oorspronkelijke doel van de schepping van de mens was de wording van een geestelijk mens (a.w. pp. 7/8). Hier stuiten we op een on­schriftuurlijke theologie die nauw verbonden is met de mensleer.

 

1.6. Recente publicatie: J.M.Burger

Discussie grotendeels verstomd. Na WO II is er in eigen kring weinig gediscussieerd over de leer van de mens. We kunnen niet op alle fronten tegelijk strijden en moeten natuurlijk steeds prioriteiten stellen. Niettemin juich ik elke hernieuwde aandacht voor dit belangrijke onderwerp toe.

Radix-artikel. Onlangs heeft J.M.Burger de draad opgepakt in het artikel Mens in Christus, Lichaam, Ziel en Geest, in Radix, jrg 30, nr 3, p.109-122. Hij geeft leerzame exegetische aanwijzingen voor het gebruik van deze woorden. De aandacht voor de context en het on­derscheid tussen OT en NT is verhelderend.

- Ik attendeer alleen even op deze hernieuwde bezinning en ga het artikel van Burger niet uitvoe­rig weergeven. Ik volsta met een paar kanttekeningen.
- Bij verdere uitdieping van de mensleer zou aansluiting bij de oude discussies en probleemstel­lingen gewenst zijn, al was het alleen al om te erkennen dat je in een traditie staat. Zo heeft Bavinck al uitvoerig stilgestaan bij de betekenis van ‘vlees’ in de bijbel en bij “…..de overgang van de psychische tot de ethische betekenis…..” (1920, p.121 e.v.). In mijn jargon zou ik spreken van creationele en feuderale betekenis. Burgers laat zien dat dit ook geldt voor de andere genoemde termen. Zorgvuldige exegese kan ons behoeden voor eenzijdigheden – waar Bavinck ook al voor waarschuwde.
- Termen bij Burger als ‘holistisch dualisme’ lijken me niet erg gelukkig gekozen. Hij wil hiermee de twee-eenheid van de mens typeren. Vroeger bestreden de gereformeerden juist het dualisme en stelden daarvoor de dichotomie in de plaats. En het ‘ho­lisme’ duidt een leer aan die méér zegt dan dat de mens een geheel is. Bavinck schreef al: “Ziel en lichaam staan niet dualistisch tegenover elkaar en loopen niet parallel (….) maar zij zijn ten in­nigste vereenigd in de persoonlijkheid… “ (1920, p.79). Van daaruit trekt Bavinck allerlei conse­quenties voor de ethiek en vooral ook voor de opvoedkunde. Dus hier opnieuw een verband tus­sen de mensleer en andere leerstukken. Bavinck was een pedagoog van naam ( zie ook: L. van der Zweep De Paedagogiek van Bavinck, met een inleiding tot zijn werken, Kampen, z.j.(in elk geval 1934 of later)).
- Bovendien komen deze termen in flagrante strijd met het gedachtegoed van de Reformatorische Wijsbegeerte, die op het gebied van de mensleer uitgesproken opvattingen heeft. Dit massieve gedachtegoed verdient het niet om zo opvallend genegeerd te worden. We staan op het punt van de mensleer niet slechts in een rijke gereformeerde traditie maar ook in een hedendaagse refor­matorisch-wijsgerige context.
- Uitlatingen in dit wetenschappelijke artikel als ‘delen in het verhaal van Christus’ lijken me te veel ontleend aan een ongereformeerde, postmoderne vocabulaire. De opgeheven armen van praise-bijeenkomsten die hier worden aanbevolen volgen niet dwingend uit het betoog. De wens om praktische toepassingen te laten zien is begrijpelijk, maar het onderwerp is vrij abstract en dan loop je gevaar voor kortsluitingen door aan je eigen voorkeuren een wetenschappelijk tintje te geven.
- De bekering roept een stroom van gevoelens op: blijdschap, hoop, troost, opluchting en vooral innerlijke rust en vrede, naast diep verdriet over de zonde. De lichaamstaal die hierbij hoort is verschillend, de combinatie van berouw en blijdschap leidt tot een meer ingetogen vreugde en is bovendien persoonlijk en cultureel bepaald. Je kunt bijv. ‘gewoon’ rust en overtuigingskracht ‘uitstralen’. Wie deze meer subtiele taal niet verstaat kon wel eens afgestompt zijn door de huidige emotiecultuur waar alles ‘heftig’ moet toegaan (anders kan de TV er niets van laten zien). Wie dan een uniforme imitatie aanprijst van banale massale bewegingen die we in de wereld ook zien moet zich als gereformeerde weten­schapper afvragen of hij hiermee het gehalte van zijn studie niet ondermijnt.

Wat me aanspreekt in dit artikel is de houding dat we hier niet alles kunnen weten en ver­woorden. Velen weten en wisten naar mijn overtuiging te veel: ze omarmen een denksys­teem dat aan allerlei kanten lijkt te kloppen, maar dat ons ondertussen meer problemen kan oproepen dan oplossen. Een medicijn, dat meer schadelijke bijwerkingen heeft dan gene­zende, moet je laten staan. We kunnen beter erkennen dat we nog maar weinig weten en ons bescheiden opstellen dan ons een air van alwetendheid aanmeten. We hebben nog maar een ‘klein begin van kennis’.

 

               1.7. Bouwstenen voor een mensvisie

Fragmentarisch. Verder dan fragmentarische kennis op het gebied van de mensleer komen we niet. Ik wil enkele gezichtspunten noemen die ons kunnen helpen om iets over de mens te zeggen.
- Het hier gehanteerde geloofskader. De mens als schepsel is aangelegd op een dubbele positie creationeel en feuderaal. Hij ‘overstijgt’ de overige aardse schepping en staat tevens onder het beslag van het Woord. Deze positie hangt samen met het hebben van een geest. Ook hier dus een verband tussen de mensleer en andere leerstukken.
- De schepping van de mens. Die wordt in de Schrift apart beschreven (Gen. 1, 26 e.v.). Hij is wél uniek maar blijft ‘stoffelijk’, aards, ‘natuurlijk’ (1Cor. 15, 44 e.v.- zie Douma, 2004 p. 18). Ook hier zien velen een verwijzing naar het hebben van een geest naast een lichaam.
- Het beeld van God. In H. 2 heb ik dit beeld uitgewerkt in het drievoudige ambt.
- Concentratie? Met name de Reformatorische Wijsbegeerte ziet het menselijk hart als centrum van de mens (en in bepaalde opzichten zelfs van de hele schepping). Deze mensleer staat in wisselwerking met haar opvattingen over de kerk, de bekering, de weerhouding, de betekenis van Christus enz. De Schrift ondersteunt naar mijn oordeel alleen de visie op het hart als een innerlijke bron (en in die zin als ‘centrum’) van fundamentele keuzen en be­geerten (de nieren liggen nog dieper) binnen ieder mens afzonderlijk.

Bij een veelheid aan functies is het nodig één of meer ‘dieptelagen’ aan te nemen waarin alles wordt geïntegreerd. Anders kan de mens niet ‘naar buiten’ optreden als ‘eenheid’. Maar een dieptelaag is niet specifiek voor de mens en moet men in elk geval voor alle aardse levende schepselen aannemen. Het is dan ook de vraag of we langs deze weg uit kunnen komen bij de geest of het hart bij de mens. Zou het niet eerder zó kunnen zijn dat de geest het bestaan van ‘dieptelagen’ veronderstelt zonder zelf ertoe te behoren? Het maakt de indruk van een kortsluiting wanneer in dit verband de uitspraken van de Schrift over het hart worden aangehaald. Daar komt dan nog bij dat aan deze ‘concentratieleer’ allerlei vergaande theologische consequenties worden verbonden.

- De innerlijke tweespalt door de bekering. Binnen de gelovige ontstaat er een strijd tussen twee 'de­len', strevingen of begeerten. In dit verband wordt het lichaam wel tegenover de geest geplaatst (bijv. in Rom. 8, 10; 1Petr. 4, 6).
- De breuklijn door de dood. Het onderscheid tussen lichaam en ziel of geest komt ter sprake bij het sterven van de mens, zie ook Mat. 10, 28 en HC Z. 22.
- De tussentoestand. De mensen tussen sterven en opstanding wordt beschreven als zielen (Openb. 6, 9) en als geesten (Hebr. 12, 23). Ze kunnen binnen de hemelse realiteit spreken, verlangen, rechtsgevoel hebben. Ook kunnen ze een plan maken en erover discussiëren (Luc. 16, 19-31). Verder kunnen ze op aarde in herkenbare gedaante 'verschijnen' (Mat. 17, 3.4; 27, 52.53).
- Onderscheid mens en dier. Door scheppingsonderzoek kan de mens iets over zichzelf te weten komen. Vooral studie van de zgn. mensapen laat iets zien van het eigene van de mens en van het enorme verschil tussen mens en dier. Al zijn die studies meestal toege­spitst op de overeenkomsten (die er ook zijn).
- Onderscheid hemel en aarde. De hemelse wezens worden als 'geesten' aangeduid. Er is één menselijk lichaam in de hemel, nl. dat van Jezus Christus. Dat is een 'geestelijk' li­chaam met eigenschappen waar we iets van lezen als de Schrift Hem beschrijft tijdens zijn verblijf onder ons tussen Zijn opstanding en hemelvaart. Het is een verheerlijkt lichaam met eigenschappen van de hemel, het is geen geest (Luc. 24, 36-43) maar wél is de binding aan de aarde met haar materi­ële basis­structuur opgeheven.