Notitie 2

(Uitweiding bij H. 8.3.1)

 

Geloof en psychische stoornis. Publicaties Adams en in Gereformeerde Kerkbode

 

A. Samenvatting van resultaten van een onderzoek naar de opvattingen van J.E.Adams uit Helpen in Perspectief, Groningen 1982, p.83-102.

 

2.1. Een kritische weergave van Adams

Drie niveaus. De theoloog J.E.Adams bepleitte en praktiseerde een pastorale benadering van emotionele problemen. Ik heb enkele publicaties van hem geanalyseerd (zie Helpen in Perspectief p.122 voor de bestudeerde boeken) en kom samenvattend tot de conclusie dat in zijn behandeling drie niveaus moeten worden onderscheiden. Alle drie worden gelijktijdig in praktijk gebracht. Zijn uitgangspunt is dat psychische pro­blemen per definitie veroorzaakt worden door ‘fouten in het geloofsleven’: er liggen niet-beleden zonden of een zondige leefwijze bij de cliënt aan ten grondslag. Hoe gaat hij die behandelen?

Het eerste niveau is algemeen creationeel en bestaat uit aandachtig en meevoelend luiste­ren. Iemand met emotionele problemen die bij een ander ‘zijn verhaal kwijt kan’ is vaak alleen al hierdoor een heel eind geholpen. Soms zelfs al voldoende. Geeft men bovendien nog hoop op herstel dan werkt zo’n positief perspectief op zich ook al sanerend. Deze benade­ring wordt algemeen gebruikt en heeft op zich geen specifiek christelijk karakter. Adams meent echter die hoop te kunnen funderen op beloften uit de Schrift en daar ligt al mijn bezwaar tegen zijn benadering.

Het tweede niveau in zijn behandeling is het aanbrengen van structuur in iemands leven. Dit gebeurt echter bij alle di­rectieve vormen van psychotherapie en geeft houvast als iemand in verwarring is door te­genstrijdige of chaotische gevoelens. Er wordt dan innerlijk en uiterlijk ‘orde op zaken ge­steld’. Ook dit is een algemeen creationeel middel dat niet-christenen gebruiken. Adams is op dit punt in de leer geweest bij een niet-christen. Hij geeft zelf aan dat deze leermeester goede resultaten boekte. Aan de methode die hij daar geleerd heeft voegde hij dan nog een ‘christe­lijke dimensie’ toe.

Het derde niveau van behandeling is werken met de bijbel, met gebed, overgave aan God, bekering, kortom consequent ‘opstaan tot een nieuw leven’. Alleen dit laatste niveau is typisch christelijk. Maar door het gelijktijdige gebruik van diverse niet specifiek christelijke methoden is de invloed van dit derde niveau niet met duidelijkheid te bepalen. Bovendien kun je er niet-christenen niet mee helpen, tenzij ze zich eerst bekeren. En wat doe je als de totale aanpak niet of niet vol­doende helpt? Ga je dan aan die christenen verwijten dat hun bekering tekort schiet?

Er zijn meer bezwaren tegen deze methode. Zo moet men heel scherp gaan onderscheiden tussen ‘zuivere’ emotionele problemen (alleen in eigen geest) en ‘onzuivere’ (uitsluitend of mede veroor­zaakt door afwijkingen van wat men als het ‘lichaam’ beschouwt). De grens tussen ‘zuiver’ en ‘on­zuiver’ verschuift echter voortdurend door modern hersenonderzoek. Dit is een wrange vrucht van het hanteren van het heidens georiënteerde onderscheid tussen lichaam en geest (zie verder Woord, Rijk en schepping in H. 8.3).

2.2. Geloof en psychische stoornissen.

Goed onderscheiden. Als we de verhouding tussen een schriftuurlijk geloof en psychische stoornissen onderzoeken stuiten we op een veelheid aan problemen. Ten eerste zijn er veel soorten psychische stoornissen en is het onjuist ze alle ‘over één kam te scheren’ in hun re­latie tot het christelijk geloof. Er zijn stoornissen waarbij een afwijking in de hersenen ‘de’ of ‘een’ oorzaak is. Bij andere zijn er alleen maar sterke aanwijzingen voor een dergelijke hersenafwijking zonder dat nog duidelijk is of we hier met een (mede)oorzaak dan wel met een gevolg of een begeleidend verschijnsel te maken hebben. Veel patiënten reageren goed op bepaalde medicijnen zonder dat we kunnen of durven zeggen dat die chemische stoffen ‘de oorzaak’ wegnemen. Er zijn stoornissen waarbij de patiënt niet bena­derbaar is via normale communicatie. Andere stoornissen zijn zo levensbedreigend dat eerst acute maatregelen moeten worden genomen.
Ten tweede zijn er mensen met een goed ‘gegroeid’ en gezond christelijk geloof, maar er zijn ook gelovigen die uit bijbels oog punt tot de ‘zwakken’ horen. Daarnaast zijn er natuurlijk ongelovigen in allerlei soorten: van mensen die zelf niet geloven maar wél sympathiek staan

tegenover ‘het geloof’ tot fervente atheïsten die elk ‘geloof’ (behalve dat van henzelf) onzin of bedrog vinden.

Geloof en gevoel. Vanzelfsprekend beïnvloedt een levend geloof het gevoelsleven. In het geloven zelf is nl. ons gevoel al opgenomen, het is er en ‘onderdeel’ van. Je gelooft met heel je wezen, je geeft je over aan je Redder. Bij christenen met een goed gegroeid geloof en met een goed functionerend gevoelsleven kun je bij psychische problemen het geloof ter sprake brengen (als ze het zelf al niet doen). Dan kan ook een benadering ‘via het geloof’ heel goed werken – al was het alleen maar omdat ‘het geloof’’ zin, richting, doel, houvast enz. geeft. Maar bij veel psychische problemen ligt de relatie tus­sen geloof en gevoel veel ingewikkelder en moet je als therapeut heel alert blijven. Ik noem een paar voorbeelden.
1) Er zijn patiënten/cliënten die hun gevoelsproblemen vertalen in geloofsproblemen en zich vervolgens daarachter gaan verschuilen (“Kom niet aan mijn geloof, dat is heilig voor mij.”). Een goede therapeut prikt daar doorheen en laat zich door deze manoeuvre niet verlammen.
2) Daar staat tegenover dat iemands geloof ‘meegsleurd’ kan zijn in zijn psychische proble­matiek en dat je door een benadering op geloofsniveau juist een opening kunt krijgen. In die gevallen kan het spreken over geloof als onverdiende zegen positief werken en zou het ne­geren van deze opening een kunstfout kunnen zijn, mits de therapeut voldoende invoelend vermogen heeft op dit terrein. Maar een gunstig effect is ook hier niet beloofd.
3) Een overweldigend gevoel kan allerlei problemen laten verbleken. Die (psychische) pro­blemen zijn er dan wel maar hun invloed is beperkt of niet merkbaar. Dit gevoel kan negatief zijn (een ramp die de overlevingsdrift overheersend maakt) maar ook positief (een grote blij­heid die alle andere gevoelens overspoelt). Deze overheersende gevoelens duren meestal maar korte tijd. De gevoelsproblemen smelten dan (een poosje) weg ongeacht hun oor­zaak.
4) Er kunnen psychische problemen zijn waar een bepaalde oorzaak (bijv. incest of een an­der misdrijf of allerlei ellende in de jeugd) zó op de voorgrond staat als ‘gangmaker’ dat het geloof bij de verwerking van dat trauma pas in een latere fase aan de orde kan komen – áls dit ooit al lukt of nodig is.

 

B. Artikelen en discussie in De Gereformeerde Kerkbode van Groningen, Friesland en Drenthe 2003, nr. 14, 1 april 2003, p. 194-203 en 207

 

2.3. Kerk en psychische stoornis.

Drie aspecten in de benadering. In de genoemde Gereformeerde Kerkbode geeft ds. Sieds de Jong een samenvattend overzicht (met schema’s verduidelijkt) van mijn bovengenoemde bijdrage in Helpen in Perspectief, gevolgd door een interview met mij over enkele concrete vragen.

- Ik onderscheidde toen bij mijn antwoorden drie aspecten die bij de benadering van psychische stoor­nissen een rol (moeten) spelen: een medisch, een sociaal en een moreel aspect. Het onder­scheid tussen die aspecten kan soms wel eens moeilijk zijn, maar als algemeen uitgangs­punt is het bruikbaar. Medisch ziet dan op een benadering die tot het terrein van een arts of apart geschoold therapeut behoort (van huisarts tot psychiater c.q. psycholoog). Sociaal heeft betrekking op de relatiesfeer waarbinnen de stoornis zich afspeelt (gezin, omgeving, kerk). Eventueel met ondersteuning van een persoon die in dit werk geschoold is. Moreel betreft de normatieve kant: bijbelse geboden, beloften en dreigingen waarbij de kerkenraad en met name de predikant een speciale verantwoordelijkheid hebben (bijv. pastorale zorg en tucht­oefening). Een algemene verantwoordelijkheid ligt hier ook bij de ge­meenteleden (zorg voor elkaar).
- Er zijn meer kaders om dergelijke problemen te ordenen. Het hierboven gebruikte kader was ontleend aan stromingen in de psychiatrie die elk een eenzijdig gezichtspunt verabsoluteerden. Ik betoogde toen dat alle drie gezichtspunten hun waarde hebben. Een ander kader is dat van somatisch, psychisch en sociaal. De indeling wordt dan wat anders – als alle aspecten maar aan de orde komen.

Geformuleerd in het geloofskader. Als we de problematiek zouden formuleren in het door mij verdedigde geloofskader zouden de volgende aspecten moeten worden onderscheiden.

1) Creationele aspect. Komt overeen met het medisch aspect in de meest ruime zin, zowel wat men ‘lichamelijk’ als wat men ‘psychisch’ noemt. In ernstige gevallen moet hier een deskundige worden ingeschakeld. Het voordeel van dit aspect is dat hierin alle problemen kunnen worden ondergebracht waarvoor professionele hulp voorhanden is. Voor het ‘lichamelijk’ is dat wel duidelijk. Maar voor het psychosociale niet: daar ontstaat gauw wrijving tussen professie en ambt. Dat is niet altijd te vermijden, maar professionele krachten worden getraind in een houding die betrokkenheid gecombineerd met afstand bewaren. Deze training is nodig om te voorkómen dat de hulpverlener persoonlijk te sterk beïnvloed wordt door de ellende van de ander. Bij een ambtsdrager gaat het hier nogal eens mis.

2) Feuderaal aspect. Psychische stoornissen kunnen leiden tot zonden in de zin van schen­dingen van Gods wet. Die moeten ook als zodanig benoemd worden, dus niet goedpraten of ver­goelijken. Vallen die zonden ook onder de strafwet dan is de kans groot dat politie en justitie zich ermee (gaan) bemoeien. Dit is niet erg (en meestal ook niet te voorkómen) want daardoor wordt betrokkene ‘met zijn neus op de ernst van de feiten gedrukt’.

3) Regaal aspect. Nu komt de gemeente in zicht als georganiseerd verband van Rijksburgers. Natuurlijk is de eerste opdracht om het probleem te toetsen aan het Woord. Maar dan komen nieuwe vraagstukken aan de orde: hoe moeten we hiermee verantwoord (= met liefde) omgaan? Wat is hier wijsheid? Daar geeft de Schrift meestal geen pasklare antwoorden op.

De kerk hanteert de sleutels van het hemelrijk. Dit vereist waarborgen van ‘kwaliteit’, toezicht, zuiver oordelen op grond van betrouwbare feiten enz. Daarnaast is er de di­aconale zorg: omzien naar elkaar, opvangen van mensen met problemen. In beide gevallen moeten de ambtsdragers ook de andere leden van de gemeente stimuleren en ev. begelei­den bij hun vermaan, troost, opvang en andere zorg voor de lijder. Wat de tucht betreft: con­fronteren met zonden maar oog houden voor de eventuele beperkte mogelijkheden aan de verleiding tot zonde door de ziekte weerstand te bieden.

- In het strafrecht hanteren we een onderscheid waarmee de kerk haar winst zou kunnen doen (en dat wellicht ook in de kerkelijke praktijk vaak stilzwijgend wordt toegepast). Het strafrecht onderscheidt hier nl. tussen twee vragen: 1) is de daad in strijd met de wet en 2) Welke mate van schuld is er bij de dader?
- Zo pleegt een krankzinnige die de wet schendt een verboden ge­draging. Maar hij krijgt geen straf omdat hem geen verwijt treft (eventueel volgt wél een beveiligingsmaatregel als opsluiting in een inrichting). We zeggen dus niet: “Omdat hij krankzinnig is mocht hij dit doen”, nee, het mocht niet. Maar daarna zeggen we: “Hij kon het niet helpen door zijn ziekte” – dus we maken hem geen verwijt. Dit is een extreem geval. Vaak ligt de grootste moeite in minder ‘zuivere’ gevallen, bijv. als het gaat om herhaald alcoholmisbruik – dan zijn de problemen direct al minder eenvoudig.
- In die (minder extreme) gevallen kunnen we het beste onderscheiden tussen ‘een gezond deel’ en ‘een ziek deel’. Iemand die in nuchtere toestand normaal aanspreekbaar is en zijn probleem erkent heeft een groot ‘gezond deel’ en is daarop aanspreekbaar. Zijn gezonde mogelijkheden moeten gesteund en gestimuleerd worden (dat kán bijv. door het opleggen van een straf) want die heeft hij nodig om zijn problemen (‘zieke deel’) onder ogen te zien en te overwinnen.

Een paar algemene adviezen. Met lichte stoornissen zo weinig mogelijk rekenen, want ieder mens heeft wel een paar problemen. Is betrokkene in behandeling dan moet de kerkenraad zich niet laten verleiden dat de patiënt niet met een beroep op ‘de therapeut’ of ‘de begeleider’ aan de raad voorschrijft wat hij wel dan niet moet/kan doen. De raad heeft zijn eigen verantwoordelijkheid en mag zich niet buiten spel laten zetten. Eventueel kan hij advies van een onafhankelijk deskundige in­winnen. In de kerk is het psychisch welzijn niet de hoogste wet. Vaak moet bijv. ook de om­geving (gezin, denk vooral om de kinderen; die zijn kwetsbaar en machteloos) worden ge­steund c.q. beschermd. Is er onmiskenbaar een min of meer ernstige psychische afwijking dan vertaalt de strafrechter dit in een mildere straf. In de kerk zal dit vertaald worden in het betonen van extra veel geduld bij het vermanen we­gens zonden. Ook wijzen op de plicht adequate hulp te zoeken voor de stoornissen. In meer extreme gevallen (bijv. bij op­name in ziekenhuis of inrichting) is de stoornis dermate bepalend dat opschorting of zelf geheel afzien van het vermaan niet zo moeilijk zal zijn.

 

2.4. Een voorbeeld van pastorale moeiten

“Een man wiens vrouw vroeg is overleden, is (zwaar) aan de drank ge­raakt. Hij ziet het verkeerde van deze psychische afhankelijkheid in, betuigt spijt en belooft steeds weer beterschap, maar vervalt desal­niettemin steeds opnieuw in dezelfde zonde.” Aldus de beschrijving van een predikant die mij vervolgens vroeg: “Hoe verhouden zich hier psychische afhankelijkheid – zonde – vergeving en zaligheid tot elkaar?” In mijn antwoord aan hem hanteerde ik het kader van: lichamelijke, sociale en morele aspecten. Dit boek vraagt een ander kader: creationeel, feuderaal (getoetst aan het Woord) en regaal (taak van bijzonder ambt en gemeente).

Omdat ik vragen kreeg zonder de patiënt te kennen kon ik alleen maar antwoorden in algemene termen en za­ken noemen die bij dergelijke problemen aandacht moeten hebben. Voor mijn oorspronkelijk antwoord verwijs ik naar de publicatie genoemd in de bibliografie.

2.4.1. Creationeel aspect

- Allereerst de ‘biotische toestand’. De enige ambtelijke taak bij deze verslaafde ligt in verwijzing naar een arts omdat herhaalde vergiftigingen met alcohol afwijkingen aan verschillende organen kan geven. Het onderhavige probleem lijkt me voldoende ernstig voor het inschakelen van een deskundige. Op dit punt heeft de kerk als belangrijkste taak er bij hem op aan te dringen deskundige hulp te zoeken. Eventueel kan men hem bij dit zoeken helpen.

De nadruk valt hier op het gevoelsleven en de gevolgen van zijn gedrag voor het sociale leven. Bij ge­regeld ernstig alcoholmisbruik is er vrijwel altijd sprake van een onderliggend probleem dat voortdurend negatieve gevoelens oproept die tijdens de roes verdwijnen. Maar de vlucht in deze ‘uitweg’ leidt zelf weer tot negatieve effecten: persoonlijk en sociaal. Daardoor ontstaat er gauw een vicieuze cirkel.

Waarom is in dit geval professionele hulp gewenst? Enkele overwegingen om dit begrijpelijk te maken:
1) Het rouwproces (z’n vrouw vroeg overleden) kan vastgelopen zijn in de fase van de boosheid. De kinderlijke vorm hiervan is gericht tegen de vrouw (“je hebt me in de steek gelaten”) – maar dat vindt hij zelf eigenlijk onbillijk en verkeerd en dus voelt hij zich op dit punt schuldig. Is hij ook boos op God? (“Het is zo oneerlijk” of: “Waarom hebt U juist mij dit aangedaan?”), maar hij weet dat dit ook niet mag. Dus ontstaat er schuldgevoel over die boosheid. Speelt er ook zelfbeklag mee? Kortom, vermoedelijk hier een chaos van te­genstrijdige gedachten en gevoelens.
2) De alcohol kan dan verschillende functies hebben: tijdelijk opluchting, want hij kan eigen geweten en al zijn chaotische gevoelens even ‘oplossen in alcohol’. Ook kan hij aan anderen willen laten zien hoe erg het met hem is hoe eenzaam hij is of in welke treurige toestand ‘men’ hem heeft gebracht – die ‘anderen’ krijgen dan de schuld van zijn doorzakken. Na elke roes voelt hij zich schuldig (“Ik was weer eens goed fout”) en minderwaardig (“Wat ben ik toch een slap­peling”). Tijdens die stemming kun je hem goed benaderen en loopt hij óver van allerlei goede voornemens (“Dat was echt de laatste keer”). Helaas helpt dit vaak niet afdoende.
3) Een gevaar is dat de onderliggende problematiek onder de tafel blijft en de ‘normale aanpak’ volledig gecon­centreerd wordt op de openlijke alcoholproblemen. Die problemen zíjn er natuurlijk óók, maar zijn meestal slechts een symptoom. Symptoombestrijding als enige aanpak doe je alleen heel lichte of bij ‘hopeloze gevallen’.

2.4.2. Feuderaal aspect

Het is niet zo moeilijk in te zien dat er iets mis is in zijn relatie tot God. Want Hij wil geen alcoholmisbruik. En het beschuldigen van onschuldigen (bijv. zijn vrouw of anderen) en boosheid tegen God Zelf zijn zon­dig. Maar daarmee zijn we niet klaar. Want de oorzaken en gevolgen van het misbruik blijven als pro­bleem bestaan. Voor dit misbruik is hij verantwoordelijk en dat weet hij ‘ergens’ ook wel. Als je dit zou negeren (“Hij is zo zielig”) neem je hem als mens en als broeder niet serieus.

Gelukkig is Gods Woord geen ‘ijzeren wet’. Het is onze Vader Die hierin naar ons toe komt met Zijn troost en beloften. En onze Hogepriester kan met onze zwakheden meevoelen. Het Woord legt ons psalmen in de mond waarin we onze nood aan Vader kunnen klagen en waarmee we waarom-vragen mogen stellen. Al voelen we ons nog zo verloren, we kunnen altijd bij Vader terugkomen. Die troost heeft deze broeder hard nodig.

 

2.4.3. Regaal aspect

1) We moeten in de kerk de zonde ook inderdaad ‘zonde’ noemen. Het gevoel van schuld is dan op zich­zelf genomen een goede (gezonde) reactie, mits dit niet ‘gekoesterd’ wordt maar gepaard gaat met het voornemen er in ‘alle opzichten’ iets aan te (laten) doen. Een ‘gekoesterd’ schuldgevoel zonder inzet voor een oplossing leidt gemakkelijk tot al­lerlei ongezonde middelen om dit knagende gevoel draaglijker te maken.

Denk in dat geval (naast nieuw alcoholmisbruik) vooral ook aan zelfbeklag. Hij kiest dan de slachtofferrol (“Ik moet on­verdiend zoveel ellende meemaken”). Verder kan hij voortdurend anderen (de kerk, de ouderlingen, de predikant, de gemeenteleden) in gebreke stellen (“Niemand begrijpt mij, men laat mij in de steek, enz.”). Want wie anderen schuld kan aanwrijven (en ‘ergens’ heb je dan altijd wel gelijk) heeft minder last van eigen schuldgevoel (“Anderen zijn gelukkig óók niet zulke voorbeeldige mensen”).

2) De kerkenraad moet een eigen pastoraal en tuchtrechtelijk beleid ontwikkelen Bij dit beleid hoort ook het vermaan als genademiddel, maar dan wél ingekaderd in een bredere aanpak, want een ‘koel ver­maan’ versterkt hier gauw gevoelens van schuld en in de steek gelaten zijn en die kunnen het drankmis­bruik juist weer stimuleren (“Het maakt toch niks meer uit, ik ben nu eenmaal een verloren zondaar, ik kan net zo goed weer gaan drinken”).

3) In de kerk kan een bestaande afwijking leiden tot het betonen van extra veel geduld (al is een tijdelijke tuchtmaatregel niet altijd uit te sluiten), extra zorg, aan­dacht, steun.

4) De gemeenschap van de kerk heeft ook een taak: vooral hem niet laten vallen (zo van: “Ik heb hem genoeg gewaarschuwd, nu moet hij het zelf maar weten”). Een netwerk van gemeenteleden (liefst met een deskundige op de achtergrond) moet hem opvangen, het doorzakken voorkomen, eventuele gevol­gen van tóch doorzakken neutraliseren, laten voelen dat hij de moeite waard blijft, dat hij bij ‘ons’ blijft ho­ren, eventueel voorzichtig verantwoordelijkheid geven (hem anderen laten helpen). Dit vereist volharding en zelfopoffering. Onbegonnen werk? Dat lijkt vaker zo als we zaaien. Maar we gebruiken dan wél genademid­delen.