Notitie 3

(Uitweiding bij H. 13.4.2)

 

In gesprek met collega Glas

 

Naar aanleiding van G.Glas Gereformeerden en psychiatrische zorg: vraag naar de uit­gangspunten; ondertitel: Een historische terugblik en enig commentaar bij een actuele dis­cussie. In: Almanak van het Corpus studiosorum in academia Campensis “Fides Quadrat Intellectum” 1986, p.146-165.

 

 

Nijkerk, december 2006

 

 

Amice.

 

Je brengt in je studie ook mijn bijdrage in Helpen in Perspectief ter sprake. Wat je daarover zegt geeft me stof tot nadenken. M’n dank ervoor. Ik heb mijn eigen woordkeus nog eens kritisch overdacht en mijn winst gedaan met jouw opmerkingen. Omdat je belangrijke zaken aansnijdt geef je me de gelegenheid uitvoerig te antwoorden.
Ik wil hierbij graag de manier van indelen en nummeren van de andere Notities aan­houden; daarmee dwing ik mezelf ook om ordelijk te blijven.

 

3.1. De vloek

‘Basisstraf’. Ik denk dat we bij de vloek direct al stuiten op een verschilpunt. Als ik over ‘de vloek’ spreek bedoel ik de vloek van Gen.3. Deze vloek is de eerste straf, algemeen van karakter, de ‘oervloek’, de ‘basisstraf’, opgelegd na de zondeval aan de hele mensheid en (globaal gezegd) bestaande in vruchteloosheid van de totale schepping en het uiteindelijk sterven van alle mensen. Ook in Helpen heb ik direct gezegd dat ik met ‘de vloek’ déze ‘basisstraf’ bedoel.

Variaties. Bij de tenuitvoerlegging van die straf zijn er variaties mogelijk en in die zin is er dyna­miek; dat heb je terecht opgemerkt en heb ik in de hoofdtekst verwerkt. Als God extra straf­fen bedreigt of oplegt kun je die soms vertalen als verzwaring van die vloek, maar niet altijd (bijv. het vluchten voor de vijand in Deut. 28, 25). Zijn zegen kan omgekeerd soms als een verlichting worden beschreven. Zo kan het sterven in hoge ouderdom en ‘verzadigd van het leven’ een zegen worden genoemd (bijv. in Gen. 25, 29 en Job 42, 17). De executie vindt dan wél plaats maar op een de tijd en een manier die (relatief gezien) toch weldadig aandoen.

Definitief karakter. Deze vloek werd opgelegd na de verbreking van het paradijsverbond. In dit verbond had alles een definitief en fundamenteel karakter. Ook Gods reactie was onomkeerbaar. Daarin verschilt dit verbond van het latere genadeverbond: het was tóen en dáár in die hof voor de mens niet mogelijk om met betoon van berouw de goede relatie te herstellen. Waarom niet? Omdat één zonde Gods heiligheid dermate schendt dat een definitieve, eeuwige straf de enige sanctie is die bij Hem past (NGB art.24, DL II, art.1).

- Toch heeft God de verbondsrelatie hersteld en gaf Hij een nieuwe belofte van leven voor allen die hun verlossing bij Christus zou­den zoeken. Dit is de inhoud van het genadeverbond en dat heeft een ander karakter dan het paradijsverbond. Immers, nu Christus borg is voor ons en Hij onze eeuwige straf op Zich nam, kunnen wij door bekering steeds weer in genade worden aangenomen. Daardoor is in dit genadeverbond de zondigheid van de gelovigen ‘meege­nomen’, alsook de mogelijkheid van hun (dagelijkse) bekering.
- Opvallend is dat in Gen. 3 deze belofte van genade is ‘ingebed’ in het vonnis waarbij de vloek als ‘basis­straf’ werd opgelegd. Maar deze straf zélf blijft ‘onherroepelijk’: zij wordt geëxecuteerd tot de jong­ste dag – ook aan gelovige zondaars, dus aan burgers van Gods Koninkrijk.

Vloek in het genadeverbond. Ik realiseer me dat het woord ‘vloek’ vaker voorkomt in de Schrift. Maar als je zegt dat in het bijbelse spreken “….de vloek altijd verbonden (is) met de dynamische omgang van God met zijn volk….“ (pp. 153/154) dan proef ik daarin een gelijkschakeling van het paradijsverbond met het genadeverbond en dat kan tussen ons tot misverstand leiden. Inderdaad, ook het genadever­bond kent beloften en dreigingen (vervloekingen). Maar híer is bekering wel mogelijk, binnen het paradijsverbond echter niet.

Meer licht. Je zegt verder dat die dynamische omgang van God met Zijn volk “meer licht” laat vallen “op de momenten van herinnering en appèl welke met de vloek verbonden zijn” (p. 154). Ik ben het in zoverre met je eens dat de latere straffen binnen het genadeverbond kenmerken hebben van de straf die bedreigd was in het paradijsverbond.

- De ergste straf is overigens de “Godverlating”. Want dan trekt God Zijn handen van het volk af en laat Hij het over aan zichzelf omdat hun ondergang onafwendbaar is. Dan mag Jeremia zelfs niet meer voor zijn volk bidden ten goede (Jer. 7, 16; 11, 14; 14, 11).
- Herinnering. Inderdaad, de vloek hoort niet thuis in de oorspronkelijke schepping. Maar executie van deze straf zal ook een einde nemen op de nieuwe aarde. Dus naast herinnering ook verwach­ting en hoop (Rom. 8). Die verwachting is gekoppeld aan de verlossing want ondanks de tijdelijke dood is voor Gods kinderen de straf tot tucht geworden (zie hoofdtekst H. 7.3.3).
- Appèl. De vloek van Gen. 3 doet inderdaad een appèl op de hele mensheid. De mens heeft deze schepping verraden aan de satan. In de straf (als vergelding) symboliseert God dat deze schepping na de zondeval niet meer aan haar oorspronkelijke doel zal beantwoorden. De creationele vruch­teloosheid symboliseerde de feuderale ‘vruchteloosheid’ (God kreeg van de mens niet langer de eer die Hem toekwam). De creationele ellende laat de mens zien dat zonder verlossing alles ‘dood loopt’ en bevat daarmee een oproep uit te zien naar de totale vernieuwing van mens en schepping.

Vruchteloosheid. Je haalt Rom. 8 aan en daarmee zit je precies op de lijn die Paulus heeft uitgezet. Want hij werd geconfronteerd met de overgang van het oude (genade)verbond naar de nieuwtestamentische situatie van ditzelfde verbond. Daarvoor moest hij teruggrijpen naar de toestand zoals die bestond vóór de wetten van Mozes (die slechts een bepaalde fase inluidden binnen het oudtestamentische genadeverbond). In Rom. 5, 12 e.v. wijst hij dan op de positie van Adam in het paradijsverbond met zijn defini­tieve keuzen die de hele mensheid (be)treffen. In contrast daarmee bepaalt hij de positie van Christus en van de zijnen in de oude én nieuwe bedeling van het genadeverbond.

 

3.2. Nieuwe werkelijkheden

Mijn woordgebruik. Je hebt gelijk als je opmerkt dat ik me niet altijd even duidelijk heb uitge­drukt in mijn bijdrage in Helpen in perspectief. Je hebt mij hier welwillend gelezen – dit in te­genstelling tot Ouweneel (die mij – ook volgens jou – slecht gelezen heeft). Als ik probeer het onderscheid tussen creationeel en feuderaal te benadrukken kies ik daar sterke woorden voor: twee werkelijkheden, twee posities, relaties, kwaliteiten, systemen enz. Verder zeg ik dat de mens de aardse werkelijkheid kan ‘ontstijgen’. Door deze woorden dreig ik het onder­scheid tussen schepping en Woord enerzijds en dat tussen hemel en aarde anderzijds te verwarren. In jouw op­tiek gaan er dan rode lampjes branden, want jij denkt in de termen van de Reformatorische Wijsbegeerte (ik gebruik verder de afkorting RW).
Platonisme? Je zegt over mijn ‘sterke woorden’: “Te gemakkelijk wordt zo de suggestie ge­wekt als zou de mens in zijn (foederale) functioneren uitstijgen boven de aardse werkelijk­heid om vervolgens deel te krijgen aan een andere werkelijkheid daarbóven, de werkelijk­heid van het verbondsverkeer met God. En daarmee zouden we nolens volens dichter bij Plato zijn uitgekomen dan bij het bijbelse spreken over verbond en schepping.” (p. 156). Je snijdt hier een onderwerp aan dat uitnodigt tot een bredere gedachtewisseling. Ik noem de volgende punten.

1. Behalve de werkelijkheid van de aardse schepping (als deel van het totale scheppingsrijk) is er ook de werkelijkheid van het koninkrijk van God (of het hemelrijk) en die van het duivelrijk. Verder is er de werkelijkheid van Gods Woord. Er is dus meer dan de aardse schepping en dat meerdere moet in een totaalvisie (waar ik mij in dit boek en elders mee bezig houd) benoemd worden. Ik onderscheid tussen drie werkelijkheden: Rijk, Woord en schepping. We zouden van mening kunnen verschillen over de betekenis van het woord ‘werkelijkheid’, maar ik meen dat mijn woordkeus verantwoord is.
2. De mens was vóór zijn val ook burger van het hemelrijk, maar dóór zijn val verloor hij dit burger­schap en werd hij slaaf, inwoner, burger van het duivelrijk. De mensen en geesten van dat rijk vallen (als schepsels) onder het scheppingsrijk maar het kenmerk van duivelrijk ontlenen ze aan hun opstand tegen God. Deze werkelijkheden moeten hun volle gewicht krijgen in een alomvat­tende beschouwing.
3. Hoe werd de mens tevens burger van het hemelrijk? Door gehoor te geven aan het ver­bondswoord. Direct na de schepping van de mens sprak God dit Woord en daarmee bracht Hij iets nieuws: een relatie, een band tussen Hem en de mens die er tevoren nog niet was (zie Schaeffer-de Wal, die hier spreekt over de ‘derde werkelijkheid’, maar haar nadere invulling vind ik on­duidelijk). Deze relatie is extra, is iets aparts dat er na de voltooiing van de schepping speci­aal voor de mens bij kwam. Met de RW verschil ik van mening over de vraag op welke wijze deze unieke positie van de mens tot haar recht komt.

4. Na de val heropent God het verlaten en toegesloten hemelrijk voor de gevallen mens. Door Woord en Geest kan de mens door het genadeverbond weer leven in het hemelrijk en vandaag al iets van dat rijk op onze aarde laten zien. De gelovige heeft dan tweeërlei leven – zoals je terecht citeert uit NGB art. 35 – nl. een “geestelijk en hemels” leven naast een “li­chamelijk en tijdelijk” leven. Met dat nieuwe leven kan de mens het aardse deel van het ge­schapene in beginsel weer tot zijn recht en bestemming laten komen. Maar wie dat Woord verwerpt blijft kiezen voor het duivelrijk en laat op onze aarde al iets van die duivelse werke­lijkheid zien. Hij is niet in staat het geheel van de aardse schepping (met al haar kwetsbare en ‘zondegevoelige’ samenhangen) in beginsel tot zijn recht en bestemming te laten komen.

5. Ik ga hier zo uitvoerig op in omdat ik het misverstand wil vermijden dat mijn pogingen deze werkelijkheden te verwoorden op zich al gevaar voor platonisme zouden oproepen.

 

3.3. Een paar vragen

Er zijn bij mij diverse vragen gerezen. Ik wil er drie stellen.

1. Het verwijt van platonisme. Staan de RW-aanhangers niet erg gauw klaar met het ver­wijt van platonisme? Het lijkt mij toe dat zij zich opstellen in de comfortabele positie waarbij het menselijk lichaam alle ‘functies’ inclusief het geloof en de ‘wetten’ hiervoor ‘bezit’. Het hart (ziel of geest) is (creationeel gezien) dan slechts een ‘concentratiepunt’. Zodra iemand bijv. een ‘lichamelijke’ functie toeschrijft aan het hart (geest of ziel) gaan jullie het verwijt van dualisme in stelling brengen. Dat gebeurt ook als ik het waag te spreken over het functione­ren in een andere werkelijkheid. Mijn vraag luidt nu: Is dat geen overdreven vrees voor het platonisme? Schiet de RW hier niet te ver door? Hangt dit niet samen met de neiging om als filosofie uitspraken te doen over de totale werkelijkheid? Is het niet te gemakkelijk om te spreken over het ‘boventijdelijke’ en is het onderscheid ‘tijdelijk’ - ‘boventijdelijk’ tóch niet een erkenning van een ‘tweede werkelijkheid’ waarin de mens óók functioneert?

2. Filosofie – theologie. Hiermee hangt de volgende vraag samen: hoe verhoudt zich de di­chotomie in de mensleer tot het geloof in diverse werkelijkheden? Omdat we veel kennis over de mens ontlenen aan het Woord is er in onze mensleer altijd een ‘stuk theologie’ verpakt en staat een bepaalde mensleer in wisselwerking met theologische opvattingen (zie ook Notitie 1.5). De RW is naar mijn oordeel dan ook nauw verbonden met (en wordt beïnvloed door) theologische visies (exegetisch, dogmatisch, ethisch). Bij Plato zie ik behalve een bepaalde mensleer ook een verkapt stukje heidense theologie een rol spelen. Mijn vraag luidt: is de RW zich voldoende bewust van haar (impliciete) theologische gezichtspunten?

- Als A. Troost over het hart spreekt, haalt hij Dooyeweerd aan die meermalen betoogde dat het hart van de mens ‘op zichzelf’ niets is. Het is alleen maar een concentratiepunt van alle tijdelijke func­ties, waarin het zich uitdrukt. In die zin is het hart vergelijkbaar met het onzichtbare middelpunt van een aantal concentrische cirkels. Het mag niet verzelfstandigd worden tot een apart iets zoals in het traditionele lichaam-ziel dualisme. (A.Troost, Vakfilosofie van de geloofswetenschap, Budel, 2004, p.45). Ik ervaar deze ‘creationele minimalisering’ van het hart als (feuderaal gezien) een ontoelaat­bare verarming, want in de Schrift is het hart een ‘bron’ waaruit alle uitingen voortkomen en waar de Geest de mens aangrijpt, waar de mens ‘besneden’ moet worden. Het is m.a.w. de oorsprong van diepste begeren, meest fundamentele keuzen enz. Anderzijds wordt ook door de RW aan het hart een belangrijke rol toegekend als het over de zondeval en de verlossing gaat. In mijn eigen kader geformuleerd zou ik het zó zeggen: in de RW mag het hart dan creationeel op zichzelf ‘niets’ zijn, maar feuderaal is het tegelijkertijd ‘alles’.
- Ik zie daarom in de ‘hartleer’ van de RW een duidelijke theologische benadering en interpretatie van de schepping. Dit lijkt me juist, maar alleen omdat en in zoverre we bij deze fundamentele vragen het licht van het Woord nodig hebben. Dit betekent wél dat de discussie over de vraag of hier aan de Schrift volledig recht wordt gedaan een theologische gedachtewisseling is.
- In Notitie 1 gaf ik aan dat de gereformeerden (hier bij monde van H .Bavinck) het platonisme ver­wierpen. Ze wilden niet spreken van ‘dualisme’ (als scherpe scheiding tussen lichaam en geest, of zelfs als tegenstelling) maar van ‘dichotomie’. Nu kun je terecht zeggen dat met de leer van de twee substanties toch een soort semi-platonisme werd aangehangen, maar je zou mijns inziens aan het voorgeslacht geen recht doen het zonder meer ‘platonisme’ te verwijten.

3. Een alomvattende mensleer? Het belangrijkste verwijt dat je volgens mij aan de scholas­tieke mensleer kunt maken is dat deze leer alles wilde omvatten en verklaren. Dat is tegelij­kertijd ook het aantrekkelijke van die benadering. Maar nu vraag ik je: doet de RW eigenlijk niet hetzelfde? Moeten we hier niet veel eerder met twee of meer woorden spreken?

- Elders heb ik me verzet tegen wat ik bij de RW ‘religionisme’ heb genoemd, waardoor het totale aardse geschapene in een religieuze afhankelijkheidrelatie met God wordt geplaatst. Ik meen dat deze RW-visie geen recht doet aan de unieke verbondsrelatie van de mens tot God en ook niet aan de positie van de mens binnen de overige aardse schepping. En dat gaat zich wreken als de RW de zondeval en de vloek een plaats wil geven in haar scheppingsleer. Hier zijn belangrijke theologische vragen in het geding.
- De aardse schepping is goed geschapen en is vandaag (gezien vanuit de feuderale optiek) nóg ‘goed’ (1Tim 1,4). De schepping viel niet in zonde. Zij was al klaar en ‘zeer goed’ toen de mens geschapen werd – dus voordat er een ‘hart’ bestond. Alleen de mens kon in opstand komen, waardoor hij creationeel intact bleef maar geestelijk (feuderaal) totaal verdorven werd (DL III/IV, 16). Díe opstand heeft God gestraft met een vloek die ook de overige aardse schepping trof – net als bepaalde straffen (bijv. droogte) in Israël ook dieren en planten troffen. Al bewonder ik de RW op veel punten – dit theologisch punt blijf ik als ‘religionisme’ onaanvaardbaar vinden.
- Als de mens wedergeboren wordt, dan vernieuwt de Geest zijn wil (DL III/IV, art.11,12). Daarom zou je aan het hart van de mens het ‘feuderale willen’ moeten toeschrijven. Die ‘feuderale wil’ is door de val onherstelbaar verdorven (in creationeel opzicht is de wil relatief ‘vrij’) en wordt door de Geest herschapen als een ‘deel van de mens’ dat steeds weer kiest voor het Gods ko­ninkrijk (het hemelrijk) en dat strijd voert met andere begeerten, aandrangen en tendensen binnen die­zelfde mens. Ik vermoed dat de RW op zich geen bezwaar zal hebben tegen het toeschrijven aan het hart van het willen, vertrouwen, zeker weten enz. omdat alle verschillende functies ‘samenkomen’ in het hart en daar ‘gebundeld’ de religieuze relatie bepalen – mits we ons hier maar zó ‘onbestemd’ uitdrukken dat elke verbinding met een bepaalde menselijke functie wordt afgesneden.
- Als we hart, ziel en geest gelijk mogen stellen, zijn voor het geweldige gebeuren van de her­schepping termen als ‘richting’ en ‘ontsluiting’ naar mijn indruk te ‘mager’. Ze roepen associaties op met ‘lagere’ wetskringen en lijken me gekozen vanwege hun neutrale betekenis en om zo weinig mogelijk creationele inhoud toe te schrijven aan het hart. Ik kan het begrijpen als men in zijn be­schrijving van de structuur van het aardse geschapene ervoor terugschrikt hierover méér te bewe­ren – maar dan past wél de erkenning dat Gods Woord veel meer zegt.

3.4. Schilder

Scheppingsgaven. Mijn beroep op Schilder (Helpen in Perspectief, p. 76) was bedoeld om te laten zien dat ik op diverse punten bij hem kon aansluiten. Ik had hieraan behoefte omdat ik uit “Kampen” vrijwel geen reactie had gekregen op mijn eerdere artikelen. Ik was bang dat mijn (voorzichtige) kritiek op Schilder (in Weerhouding, Lucerna, 2e jg. 1961/2, no. 5/6, p.545 e.v.) daar debet aan was. Ik wees er in 1982 op dat Schilder de drift tot culturele actie beschouwde als een scheppingsgegeven en dat het feit dat die scheppingsgaven zich ont­plooiden geen genade maar natuur was (ik cursiveer twee maal). Dat hierbij na de val vaak zondige motieven domineerden (die óók zichtbaar zouden worden in de producten van die ont­plooiing) zal Schilder nooit hebben ontkend. Dat deed Kuyper ook niet. Ik vermoed dat, zó geformuleerd, de RW op dit punt ook geen bezwaar zou kunnen maken.

Met mijn bijdrage in Helpen wilde ik betogen dat de psychosociale hulpverlening gebruik kan ma­ken van geschapen mogelijkheden en dat deze hulp daarom niet tot het exclusieve domein van de predikant behoort. In dit verband kon ik de passage van Schilder aanhalen, waarin hij ook spreekt over scheppingsmogelijkheden. Met betrekking tot het vraagstuk van de algemene genade zegt dit citaat op zich niets. Want dán gaat het over een heel andere vraag nl. of de mogelijkheid deze scheppingsdrang te volgen na de zondeval ‘genade’ moet worden genoemd of niet.

Noodzakelijkheidsdenken. Je wijst erop dat Schilder de ‘gemene gratie’ ook bestreed met behulp van de idee dat God alles tevoren wist en bepaald had (supralapsarisme) inclusief de zondeval en de gevolgen daarvan. Doorredenerend op deze lijn kom je dan gauw tot een noodzakelijkheidsdenken: zondeval, verkiezing, verwerping, helse straf enz – alles was door God tevoren bepaald en moest noodzakelijk gebeuren ter wille van de eer van Zijn Naam.

- Ons past hier (zoals je terecht opmerkt) terughoudendheid omdat het specifieke theologische pro­bleemstellingen en discussies betreft. Wij zijn geen theologen. De theologie definieert bovendien het supra- en infralapsarisme op verschillende manieren. Maar als ‘gewone gereformeerden’ kun­nen we er wel iets van zeggen. Zo kunnen we in overeenstemming met de Schrift belijden dat God door niets wordt verrast en dat Hij alles tevoren heeft bepaald. Er gebeurt niets zonder Zijn be­schikking al gaat dit ons begrip te boven (NGB art. 13). De kernvraag is dan hoe wij dit Schriftgege­ven mogen gebruiken nu de Schrift ook spreekt over onze verantwoordelijkheid.
- We moeten hier naar mijn oordeel met twee of meer woorden spreken zonder voor ons verstand tot een bevredigende consistente visie te kunnen komen. Als we te ver doorgaan op het ene gegeven komen we in moeiten bij andere gegevens. Dit heeft Douma naar mijn mening ook aan de orde gesteld. Hij wijst m.i. Schilder niet af enkel vanwege uitlatingen die ook in de belijdenis voor­komen maar in het te ver doorschieten naar één kant (waardoor er een ‘-isme’ ontstaat). Want Schilder zag zich daardoor genoodzaakt diverse Schriftwoorden uit te hollen als slechts ‘mensvor­mig spreken’ (zie Douma, 1966 p. 341). Verder gaat het mijn begrip te boven dat – ook al schiet iemand te ver door in het supralapsarische spoor – hierdoor iets zou worden opgelost of verhelderd betreffende de algemene weerhouding en de vraag of deze ‘genade’ mag worden genoemd of niet. Maar ik ben slechts een leek.

Substraat. Wanneer er in dit verband gesproken wordt van een ‘substraat’ dan gebruikt men deze term in een heel speciale betekenis. Zoals je zelf zegt: de ontwikkeling van de schep­ping is dan noodzakelijk en in die zin een substraat voor zegen en vloek, verkiezing en ver­werping (p. 158). Hier wordt de term ‘substraat’ heel ruim gebruikt: niet alleen voor de schepping als zodanig maar ook voor de ontwikkeling van het geschapene, dus ook voor de cultuur en de geschiedenis. Daardoor omvat hier en in dit verband de term ‘substraat’ ook de zonde, de weerhouding én de verlossing.
Ik heb echter de indruk dat jij de term ‘substraat’ in een beperktere betekenis gebruikt wan­neer je zegt dat men het geschapene tot een ‘substraat’ maakt als men erover spreekt afge­dacht van iedere feuderale bepaaldheid of kwalificatie.

Het geschapene als zodanig. Je stelt hiermee een andere kwestie aan de orde, namelijk de positie van het geschapene na en door de zondeval. Omdat de zonde niet in de schepping als zodanig zit maar in het hart van de mens mag je van het geschapene als zodanig zeggen dat het feuderaal gezien ‘goed’ is (1Tim. 4,4). Daarom mogen we tot op zekere hoogte het geschapen-zijn als zodanig bezien los van de zonde en van wat de afvallige mens met de schepping gedaan heeft en doet. Dat doet Paulus in 1Tim. ook. En de RW eveneens als ze spreekt over ‘structuren’ en deze terecht goed onderscheidt van de ‘richting’. Dit staat in principe nog los van onze overtuiging dat de zondigende mens (die dus feuderaal voor het duivelrijk kiest) de schepping vaak niet gebruikt en ontwikkelt overeenkomstig haar bestemming en dat dit creationeel gezien tot schade en ontwrichting leidt.

 

3.5. Structuur en richting

Richting. Als je het onderscheid tussen creationeel en feuderaal vergelijkt met dat tussen structuur en richting (in de RW) dan zie je een belangrijke overeenkomst (p. 159). “Struc­tuur” ziet dan op de schepping en met name op de orde daarin, terwijl “richting” ziet op de religieuze keuzen van de mens in zijn handelen en in zijn omgang met de schepping.
Ik zie die overeenkomst ook, maar wil met de term ‘feuderaal’ directer verwijzen naar het verbondswoord. Dat Woord geeft zelf het eigen terrein aan waarover het te zeggen heeft. Vanuit het Woord is de term ‘richting’ te neutraal. Maar wie zich beperkt tot de be­schrijving van de structuur van het geschapene kan m.i. zonder bezwaar hier en elders neutrale termen gebruiken om aan te duiden dat de mens met de schepping ‘veel kanten’ op kan – wélke kant dat is, hangt af van de gekozen ‘richting’.

Niet neutraal. Zelf formuleer ik niet neutraal omdat naar mijn oordeel de ontplooiing van de schepping in onderworpenheid aan het Woord de enige goede ontplooiing is, die past bij de huidige positie en betekenis van de schepping en bij het Koninkrijk van God. Er is dus meer één ‘richting’ die (feuderaal) goed is, alle andere zijn verkeerd. Ik denk dat je hiertegen geen bezwaar hebt als je je realiseert dat ik niet alleen de schepping beschrijf maar de totale werkelijkheid. Het Woord van na de val en de vloek openbaart ons de waarheid over de toestand van onze hedendaagse schepping en wijst ons daarin de weg. Vanuit mijn totaalvisie is een ‘religie’ die God niet eert en niet ge­hoorzaamt een valse religie, die steeds geneigd is de schepping te gebruiken in strijd met haar bestemming.

 

3.6. De draad opnemen

Is er perspectief? Je schrijft aan het eind van je bespreking dat “…er alle reden is om de draad van het gesprek opnieuw op te nemen.” (p. 159). Ik denk niet dat dit mij nog gegeven zal zijn. Bovendien wil ik onze verschillen niet onderschatten. Ik noem:

1. Één model volstaat niet. Het ‘model’ van de gelaagde opbouw van de modaliteiten of wetskringen vind ik een geniale greep, maar de voorstelling van het hart als een punt

is misschien wel mooie beeldspraak maar de gelding ervan lijkt me twijfelachtig en in ieder geval beperkt. Ik meen dat de ‘positie’, betekenis en ‘werking’ van hart, geest of ziel in het licht van de Schrift veel rijker en meeromvattend is. Uitspraken over het hart met een beroep op de Schrift vallen (zoals gezegd) onder de theologie. Bovendien lijkt het mij toe dat op dit punt de Schriftuitleg bij de RW teveel beheerst wordt door de eigen scheppingsleer.

2. Onwetendheid erkennen. Naar mijn mening zegt de RW veel waardevols over de on­voorstelbaar ingewikkelde aardse schepping en over de nog weer extra gecompliceerde mens. Maar de mens wordt hier m.i. te veel in een stelsel opgesloten. Dit is ook één van mijn bezwaren tegen de scholastieke dichotomie. Te gauw krijg je een sjabloon waarin alles een plaats moet krijgen – ongeacht de vraag of het wel past. Werkelijkheden ‘naast elkaar laten staan’ zonder te weten hoe je ze kunt verenigen zijn lijkt me óók bij het onderzoek van de schepping geen schande.

3. Geloof onderscheiden van religie. Verder kan ik me niet vinden in het onderscheid tussen de geloofsfunctie en de religie – hoeveel nadruk er ook wordt gelegd op het nauwe verband. In de praktische uitwerking is het vrijwel onvermijdelijk dat dit leidt tot de hantering van het ethi­sche schema inwendig – uitwendig. Vergis ik me niet dan trekken bovendien RW-aanhan­gers onderling hier ook niet altijd de grens op dezelfde manier. Verder is dit onderscheid (in mijn optiek) van theologische aard – wat ik bevestigd vind in de theologische consequenties die hieraan vastzitten.

4. De plaats van het Woord. Hiermee hangt weer samen de plaats van het Woord als de waarheid die God vanuit de hemel openbaart. Ware uitspraken over het Woord kun je alleen aan dat Woord zelf ontlenen, evenals uitspraken over de juiste inhoud en uitleg van dat Woord (“Woord met Woord vergelijken”). Daarom verzet ik mij tegen de inkapseling van de theologie in welk wijsgerig stelsel dan ook – al erken ik direct dat theologen voor hun werk grondige scholing in de wijsbegeerte nodig hebben. In dit verband wil ik opmerken dat ik het bepaald zorgelijk vind dat gerefor­meerde theologen soms veel te onkritisch resultaten van niet-theologische wetenschappen overnemen.

5. De hemel. Als de wijsbegeerte zich zou beperken tot de structuur van het aardse gescha­pene dan kan ik het begrijpen en billijken dat zij geen uitspraken doet over de hemel. Want de hemel is een niet door de mens te onderzoeken deel van de schepping. Tegelijkertijd besef ik dat het hemelrijk een werkelijkheid is die op aarde grote invloed heeft (evenals het duivelrijk). Christus regeert ons vanuit de hemel, de Geest werkt vanuit de hemel met het Woord, het Woord zelf wordt vanuit de hemel gesproken, de engelen (en de duivelen) zijn als geesten actief bezig binnen de aardse schepping, de kerk is voor een groot deel al in de hemel en, voor zover nog op deze aarde, zijn Gods kinderen burgers van het hemelrijk.

6. Het boek van Troost. De indrukwekkende studie van Troost (zie boven onder N.2.3.) maakt op mij toch een steriele indruk vanwege het vrijwel gesloten systeem. Hier wordt naar mijn overtuiging de rijkdom van het Woord en van Gods Rijk op de aarde ingekaderd en op­gesloten in de systematiek van de opbouw van het aardse geschapene. Uiteraard kent de menselijke activiteit, ook op kerkelijk en theologisch gebied, veel creationele facetten, maar de pretentie van welke wijsbegeerte dan ook om hier een funderende of richtinggevende rol te spelen wijs ik beslist af.

 

Zoals je ziet zijn we bepaald nog niet uitgepraat.

 

Met collegiale broedergroet.

 

Wim Nieboer