In dit boek laat de auteur op heldere wijze zien dat we op grond van de Bijbel moeten onderscheiden tussen Gods Woord, Zijn Koninkrijk en Zijn schepping. Aangetoond wordt dat dit onderscheid van groot belang is om het unieke karakter van Gods Woord en de centrale plaats daarvan in het christelijke geloof te eerbiedigen. Hiermee staat het boek in de gereformeerde traditie die in de lijn van de Reformatie nadruk legt op het gezag van Gods Woord over heel ons leven.

De onderscheiding tussen Woord, Rijk en schepping noemt de auteur een geloofskader. Het ordent onze geloofskennis en geeft ons dieper inzicht op bijvoorbeeld zonde en ziekte en de doorwerking van zonde in ons dagelijks leven.

Zo confronteert dit boek ons met onszelf, met onze cultuur en met de huidige praktijk van ons kerkelijk leven.