Hieronder staan vragen ten behoeve van de bespreking van het boek Woord, Rijk en schepping. Per hoofdstuk zijn vragen opgesteld in drie categorieën. Onderdeel A. bevat vragen over de stof; antwoorden kunnen teruggevonden worden in de tekst van het boek. Onderdeel B. willen hulp bieden bij een dieper ingaan op de stof; meestal betreft het hier bijbelteksten die opgezocht kunnen worden om zo het antwoord op de vraag te vinden. Het laatste onderdeel C. geeft een vraag of stelling om verder over na te denken en/of voor een eventuele gezamenlijke discussie.
De auteur houdt zich aanbevolen voor aanvullende vragen, opmerkingen, correcties. U en jij kunt daarvoor gebruik maken van het volgende emailadres (om reden van ongewenste post wordt het emailadres hier omschreven, u dient de gebruikelijke tekens zelf in te vullen):

reacties apenstaartje willem streepje nieboer punt nl.

 

VRAGEN BIJ HOOFDSTUK 1

 

A. Vragen over de tekst.

1. Welk doel had de auteur bij het schrijven van dit boek voor ogen?

2. Wat maakt dit doel nu zo urgent en belangrijk?

 

3. Hoe omschrijft de auteur wat hij verstaat onder ‘gereformeerd’?

4. Wat betekent ‘grondig gereformeerd’?

5. Wat is een geloofskader?
6. Wat wil dit kader doen en wat is zijn betekenis?

 

7. Kunt u in eigen woorden omschrijven waar Woord, Rijk en schepping precies voor staan?

 

8. De auteur noemt in de inleiding een praktijkvoorbeeld over gebedsgenezing. Kunt u omschrijven welke problemen er zich voor een gelovige voordoen als het gaat om dit onderwerp?

 

B. Verdiepende vragen.

9. Uit de Schrift wordt duidelijk dat de centrale en funderende plaats van Gods Woord voor de gelovige én de gemeente van levensbelang is. Hoe blijkt dat uit Kol. 3, 16 en Openbaring 3, 8?

 

10. Wat voor gedachten had u bij het woord ‘gereformeerd’? Vergelijk deze gedachten eens met wat in dit boek verstaan wordt onder ‘gereformeerd’. Wat valt u op?
11. Kunt u voorbeelden noemen van ongereformeerde opvattingen die onder de noemer ‘gereformeerd’ worden uitgedragen?

12. Op welke gebieden lijkt u ‘reformeren’ vandaag noodzakelijk?

 

13. Hebt u behoefte aan een geloofskader? Waarom wel/niet?

 

14. Welke overeenkomst en verschil ziet u tussen het kader van de HC: ellende, verlossing en dankbaarheid en het geloofskader: Woord, Rijk en schepping?

 

15. Welke gedachten komen bij u boven na het lezen van het voorbeeld uit 1.5?
16. De auteur zal later (H. 11) op dit voorbeeld terugkomen. Hij geeft nu al een voorschot daarop. Wat spreekt u aan en welke verduidelijking zou u nog willen hebben?

 

C. Discussie.

17. Een gereformeerd geloofskader is pretentieus en intolerant.

 

 

VRAGEN BIJ HOOFDSTUK 2

 

A. Vragen over de tekst.

18. Wat wordt bedoeld met: terug naar Genesis?

 

19. Kunt u met behulp van het kader: Woord, Rijk, schepping voor uzelf de situatie van Adam beschrijven, vóór de zondeval?

20. Kunt u aangeven in hoeverre dit alles door de zondeval is veranderd?

 

21. Welke onderbouwing van het geloofskader vindt u verder in de Bijbel?

22. In de NGB komen schepping, Koningschap en Woord ter sprake als het gaat over de twee middelen waardoor wij God kennen (art. 2). Hoe vindt u de driedeling in dit artikel terug?

 

B. Verdiepende vragen.

23. Kunt u uitleggen waarom F. Schaeffer zegt over de eerste hoofdstukken van het boek Genesis, dat die ‘één van de belangrijkste zijn van heel de Bijbel’? Wat vindt u daarvan?

24. Wat betekent dit voor de discussies die gaande zijn over deze hoofdstukken uit Genesis?

 

25. God heeft de mens goed en naar zijn beeld geschapen. Hoe wordt in Zondag 3 van de Catechismus samengevat wat dit goede inhield?

26. Wat betekent dit volgens u?

27. Zondag 12 (V/A 33) beschrijft de ambten van profeet, priester en koning. De mens werd zo geschapen dat hij deze ambten perfect kon vervullen. Hoe is dat nu na de zondeval?

 

28. Hoe wordt het feit dat God Schepper is en Koning bezongen in Psalm 135 en 145?

29. Hoe wordt in Rom. 8, 21 en Kol. 1, 15-23 beschreven dat de totale schepping zal delen in de verlossing die Christus heeft verworven?

 

C. Discussie.

30. Het is belangrijk om in ons (geloofs)denken ook terug te gaan naar hoe het vóór de zondeval was. Waarom?

 

 

VRAGEN BIJ HOOFDSTUK 3

 

A. Vragen over de tekst.

31. De mens is de ‘kroon’ op de schepping. Welke twee aspecten zijn, volgens de auteur, fundamenteel als het gaat om de schepping van de mens?

 

32. Wat wordt er gezegd over de ‘mogelijkheid van afval’ in Gods goede schepping?

33. Wat is er te zeggen over Satans opzet als het gaat om de schepping?

 

34. Wat wordt bedoeld met de schepping als ‘uitsluitend een overweldigende wereld met onontkoombare ijzeren wetten’?

35. Welke troost gaat eruit van het feit dat God zijn schepping onderhoudt en regeert?
36. Waarom is er een herschepping nodig?

 

B. Verdiepende vragen.

37. De mens is geen voorge­programmeerd, instinctief levend wezen, geen automaat. Hoe blijkt dat bij zijn schepping in de bij­zondere hande­lingen die door God verricht worden om hem te maken naar Zijn beeld (Gen. 2, 7)?

38. Essentieel is verder dat God direct na zijn schepping Zijn Woord tot hem sprak

(Gen. 1, 28-30; 2, 15-17). Waarom is dit essentieel?

39. Wat zegt dit namelijk over het unieke van de mens in relatie tot zijn Maker?

 

40. Kunt u andere voorbeelden geven, dan genoemd in 3.2.3, van misbruik van de schepping die tegenwoordig op de voorgrond treden? (Denk aan: natuur, denken, taal, sociale leven…)

 

41. Gods zorg voor zijn volk Israël in verband met het misbruik van de schepping door de mens bleek o.a. uit de bepalingen omtrent het sabbatsjaar en jubeljaar in Leviticus 25. Hoe werpen deze bepalingen een dam op tegen roofbouw en hebzucht die de schepping vernietigen?

42. Wat zeggen deze bepalingen over de toekomst?

 

C. Discussie.

43. Als christenen zijn we te weinig begaan met Gods briljante scheppingswerk.

 

VRAGEN BIJ HOOFDSTUK 4

 

A. Vragen over de tekst.

44. Kunt u in eigen woorden weergeven wat achtereenvolgens bedoeld wordt met: scheppingsrijk, duivelrijk en Koninkrijk van God?

45. Op welk moment had Gods Koninkrijk geen plaats meer in Gods scheppingrijk?

46. Wat is de betekenis van de omschrijving naar Matteüs van Gods Koninkrijk als het Koninkrijk van de hemel?

47. Wat is onze moeite wanneer het gaat om Gods Rijk?

 

48. Hoe wordt het Rijk in het Oude Testament voorafgebeeld?

49. Hoe spreekt de Bijbel over de toekomst van Gods Rijk?

 

B. Verdiepende vragen.

50. Kunt u aangeven waarom het belangrijk is om te onderscheiden tussen het Koningschap en het Koninkrijk van God?

 

51. Waarom spreekt de Here Jezus over het zoeken van Gods Koninkrijk (Mat. 6, 33)? 

52. Wat houdt dit zoeken precies in? Betrek hierbij Mat. 6, 19 en 6, 32 en daarnaast Kol. 3, 1 en Mat. 6, 20.

53. Hier op deze aarde valt de definitieve beslissing over toelating tot de bevolking van Gods Rijk. Hoe vindt u dat terug in HC Z. 48?

54. De kerk neemt hierin een belangrijke plaats in. Hoe vindt u dat terug in HC Z. 31?

 

55. Wat vindt u van de typering van de bijbel als het boek van en over Gods koninkrijk?

56. Wat voor gevolgen heeft deze typering voor het lezen van de bijbel? Met name voor de verhouding tussen het Oude en Nieuwe Testament?

 

C. Discussie.

57. Het Koninkrijk van God is, onder christenen, een veelal vergeten thema, terwijl Christus er zoveel en zovaak over heeft gesproken. Hoe komt dat?

 

 

VRAGEN BIJ HOOFDSTUK 5

 

A. Vragen over de tekst.

58. Welke onderscheidingen zijn er te maken als het gaat om het Woord van God?

59. Wat is er te zeggen over de relatie tussen Woord en schepping?

60. Wat is er te zeggen over de relatie tussen Woord en Rijk?

 

61. Waarom was het eet-verbod bij uitstek geschikt om de trouw aan Gods Woord op scherp te zetten?

62. Wat is er sinds de zondeval veranderd als het gaat om Gods Verbondswoord?

 

63. Met welke niet-Bijbelse, hedendaagse termen, kan de majesteit van Gods Woord worden aangeduid?

64. Kunt u met versaanduiding aangeven waar u deze termen kunt plaatsen in het betoog van Paulus in Hand. 17, 22-31?

 

B. Verdiepende vragen.

65. De auteur maakt verschillende onderscheiding wanneer het gaat om Woorden van God. Hoe vindt u die onderscheidingen achtereenvolgens terug in: Ps. 33, 9; Kol. 1, 17; Ps. 103, 20; 1Joh. 1 (zie ook Openb. 19,13) en Hebr. 12, 25.

 

66. De auteur zegt dat bij het verbod om te eten van de boom van kennis van goed en kwaad een keuze gemaakt moest worden tussen ‘creationele goedheid’ (er was niets mis met de boom) en ‘feuderale gehoorzaamheid’ (God had gezegd niet van die boom te eten). Waar ziet u deze keuze ook vandaag terug?

 

67. Om de kracht van Gods Woord aan de duiden gebruikt de bijbel het beeld van het licht en het zwaard. Welke gedachten hebt u bij beide beelden?

68. Welke ‘tegen-kracht’ roept het licht op (zie Joh. 3, 20)? Wat heeft dat ons vandaag te zeggen?

 

C. Discussie.

69. De eerbied voor Gods Woord is verdwenen. Oorzaken hiervan zijn …

 

 

VRAGEN BIJ HOOFDSTUK 6

 

A. Vragen over de tekst.

70. Wat is er te zeggen over de werking van de zonde vanuit het gezichtspunt van de leugen?

71. Wat zijn de gevolgen?

72. Wat is er te zeggen over de werking van de zonde als het gaat om de schepping?
73. Wat zijn de gevolgen hiervan?

 

74. Wat is er te zeggen over de werking van de zonde als het gaat om Gods Rijk?
75. Wat zijn hier de gevolgen?

 

B. Verdiepende vragen.

76. Christus is in de barre omstandigheden van de woestijn aan het begin van zijn ambtswerk ook ver­zocht door Satan. Maar Hij is staande gebleven en toonde daarmee aan dat de mens helemaal niet hoefde te vallen. Hoe bleef Hij trouw? (zie Mat 4,1-11 en Luc 4,1-13).

 

77. Lees Jes. 44, 9-20 hoe God aankijkt tegen de vergoddelijking door de mens van (delen van) de schepping. Welke afgoden worden vandaag door mensen aanbeden? Wat kunt u daarover zeggen in het licht van Jesaja 44?

 

78. De auteur bespreekt achtereenvolgens de tactiek van satan en de werking van zonde vanuit het gezichtspunt van Woord, Rijk en schepping. Probeer concreet te maken waar u dit alles vandaag terugziet. Dus: waar ziet u de tactiek en de werking tegenwoordig terug; in de maatschappij, maar ook in het kerkelijk leven?

 

C. Discussie.

79. Zonde is autonomie. Wat betekent dat? Waar zie je dat vandaag terug?

 

 

VRAGEN BIJ HOOFDSTUK 7

 

A. Vragen over de tekst.

80. Waaruit blijkt dat God in Genesis optreedt als Rechter?

 

81. Omschrijf het karakter van de vloek met behulp van het geloofskader (feuderaal, regaal en creationeel karakter van de vloek)?

82. Wat bedoelt de auteur wanneer hij zegt dat de vloek het karakter van zelf-voltrekking heeft?

 

83. Welke drie doelen van de vloek worden genoemd?

 

B. Verdiepende vragen.

84. Waaruit blijkt, volgens NGB art. 17, Gods genade na de val van de mens in zonde?

85. Hoe vindt u dat terug in Gen. 3? Wat heeft dat te zeggen?

86. Waarom is het belangrijk om de vloek uit Gen. 3 als een straf te zien die opgelegd is na een strafproces? Had u er eerder zo over nagedacht?

 

87. De auteur neemt, als het gaat om de omvang van de vloek, een tussenpositie in. Hij noemt enkele veranderingen. Naast klimaat en bodem wijst hij ook op de veranderde waterhuishouding met gevolgen voor de plantengroei. Wat denkt u, zijn Gen. 2, 5 en 6 hier van bete­kenis? En wat te denken van vondsten (bv. op Spitsbergen) die blijk geven van een plotselinge klimaatsverandering hier op aarde?

88. Dat de weg naar de levensboom geblokkeerd werd noemt de auteur een daad van liefde van de HEER. Het tóch eten van die boom zou openlijke opstand betekenen tegen de straf van de tijdelijke dood, maar vooral ook tegen het hemelrijk met zijn nieuwe en enige weg naar het eeuwige leven: via het Zaad van de vrouw. Maar er is nog iets anders. En dat heeft te maken met de gevolgen die het zou hebben wanneer de mens, die nu leeft onder de vloek, zou eten van de le­vensboom. Hoe zou het leven en de toekomst van de mens, levend onder de vloek, eruit zien als hij toch zou eten van de levensboom?

 

89. Welke van de doelen van de vloek vindt u de belangrijkste?

 

C. Discussie.

90. Discussieer over de volgende twee stellingen:

- De vloek is dat het de mens door God tot vandaag toe onmogelijk wordt gemaakt om eigenmachtig het paradijs terug te brengen hier op aarde.

- De vloek is bedoeld om de mens te herinneren aan het verloren paradijs.

 

 

VRAGEN BIJ HOOFDSTUK 8

 

A. Vragen over de tekst.

91. Kunt u in eigen woorden aangeven wat de belangrijkste verschillen zijn tussen zonde en vloek?

 

92. Wat is de belangrijkste misvatting als het gaat om ziekte en geloof?

 

93. Als het gaat om de eventuele relatie tussen zonde en ziekte is het van belang om te onderscheiden tussen zonde en vloek. Kunt u aangegeven waarom dat van belang is?

 

B. Verdiepende vragen.

95. HC Z. 10 wordt tegenwoordig niet meer door elke gelovige beaamd. Wat voor consequenties heeft dat voor het zicht op de relatie zonde-ziekte?

 

96. Het kan bevrijdend zijn om niet te letten op de oorzaak van ons lijden en sterven, maar op het doel. Wat zeggen u 1Kor. 11, 30 en Joh. 11, 15 in dit verband?

 

97. Als het gaat om ziekte in het gevoelsleven noemt de auteur twee oorzaken van misvattingen hieromtrent: de medische denkwijze en een heidense mensleer. In hoeverre helpt het wijzen op deze misvattingen u verder, als het gaat om uw kijk op uw depressieve broeder of zuster?

 

98. Psalm 88 is een voorbeeld van iemand in de diepste donkerheid. Is er desondanks een sprankje licht in deze psalm te vinden?

 

C. Discussie.

99. Depressie confronteert je met de vloek en niet met zonde.

 

 

VRAGEN BIJ HOOFDSTUK 9

 

A. Vragen over de tekst.

100. Wat is de definitie van de auteur van zonde?

101. Geef aan de hand van het leven van Kaïn, de dagen van Noach en de tijd van Babel aan wat de zonde met de schepping doet.

 

102. De zonde is nooit origineel. Hoe ziet u dat terug als je de tijd van vandaag vergelijkt met het leven van Kaïn, de dagen van Noach en de tijd van Babel?

 

103. Welke punten noemt de auteur waaruit blijkt dat de kerk de stijl van de wereld overneemt?

104. Welke bedreigingen zijn er te noemen in verband met overmatig gebruik van iets uit de schepping binnen de kerk?

 

B. Verdiepende vragen.

105. De eerste dode viel niet door de vloek, maar door de zonde. Kunt u hier meer over zeggen met behulp van 1Joh. 3, 12?

 

106. Naast de schepping werd in het begin ook het Rijk bedreigd (zie Gen. 6, 1-4, hoe men dit ook verder uitlegt, zie Douma, Genesis. Gaan in het spoor van de Bijbel. Kampen, 2004, p. 60). Hoe ziet u dat vandaag terug?

107. Het Woord werd vóór de zondvloed verkondigd. Door wie? (Judas, 14 en 2Petr. 2, 5) Hoe werd dit Woord door God bekrachtigd? (Hebr. 11, 5-7)

 

108. Wat zegt NGB 12 over het gebruik van de schepping door de mens? Wat heeft dit voor consequenties voor de kerk?

 

C. Discussie.

109. Het gaat in dit hoofdstuk over de doorwerking van de zonde vanuit de invalshoek vanuit het geschapene. Wat bent u zich bewust geworden? Kijkt u nu anders tegen bepaalde dingen aan?

 

 

VRAGEN BIJ HOOFDSTUK 10

 

A. Vragen over de tekst.

110. Wat is het hoofdkenmerk van het modernisme?

111. Wat is het hoofdkenmerk van het postmodernisme?

 

112. Kunt u uitleggen waarom de auteur in verband met beide stroming spreekt over Woord-imitatie?

 

113. Welke vier oorzaken zijn er te noemen waardoor Gods Woord en de verkonding daarvan ons niet meer bezielen?

114. Wat is nodig om ons te weren tegen het postmodernisme?

 

B. Verdiepende vragen.

115. In hoeverre heeft het modernisme ons in de greep? En in hoeverre het postmodernisme? Wat is erger?

 

116. De auteur noemt verschillende symptomen van het modernisme en postmodernisme (1. Bijbelteksten uit hun verband en 2. Gods beleid kloppend maken met ons verstand) en van het postmodernisme in het bijzonder (3. Dubbele moraal: zondag gescheiden van de rest van de week en 4. Relativering: ieder zijn eigen opvatting). Welke symptomen ziet u vooral bij uzelf en bij uw geloofsgenoten?

 

117. Kunt u aangeven waar de opvatting “succes als hét kenmerk van goede werken” vandaan komt? Wat is hiertegen in te brengen vanuit HC Z. 33?

118. Waar herkent u vandaag de ‘psychologisering van het geloofsleven’?

 


C. Discussie.

119. Het gaat in dit hoofdstuk over de doorwerking van de zonde vanuit de invalshoek vanuit het Woord. Wat bent u zich bewust geworden? Kijkt u nu anders tegen bepaalde dingen aan?

120. Het boek van Rick Warren met als titel Doelgerichte gemeente zou beter de titel Succesgerichte gemeente kunnen dragen. Ziet u de gevaren van deze manier van gemeente willen zijn? Welke?

 

 

VRAGEN BIJ HOOFDSTUK 11

 

A. Vragen over de tekst.

121. Kunt u aangeven wat de relatie is tussen Verbond en Rijk? En in het bijzonder de relatie tussen Verbondswoord en Rijk?

122. Waarom kun je geen is-gelijkteken zetten tussen kerk en Koninkrijk?

123. Welke twee vormen noemt de auteur van het ‘inwendig-uitwendig’ kader?

124. Kunt u aangeven wat er in elk van die vormen goed is en wat er mis gaat?

 

125. Wat heeft de dwaling omtrent het werk van de Geest te maken met het ‘inwendig-uitwendig’ kader?

126. Voor een goed zicht op het werk van de Geest is het nodig om het onderscheid te zien tussen Woord, Rijk en schepping. Op welke punten?

 

B. Verdiepende vragen.

127. Wat heeft de gelijkenis van Mat. 13, 24-30, door de Here Jezus uitgelegd in vers 36-43, u te zeggen over hoe de Satan Gods Rijk en de kerk infiltreert?

 

128. De tweedeling tussen inwendig-uitwendig brengt je als vanzelf bij allerlei heidens gedachtegoed; simpelweg omdat deze tweedeling daar vandaan komt (zie H. 13.2.1.).

In zijn brochure wees de auteur er in dit verband op dat een gereformeerd predikant (Jos Douma) heidense praktijken aanreikt om daarmee het ‘christelijke geloofsleven’ te verdiepen. Wat vindt u hiervan? (Voor een nadere beschrijving zie brochure, § 6.1; voor nadere kritiek, zie ook ds. P.L.Storm, Moderne mystiek. In: Nader Bekeken, jrg. 12, no. 11 nov. 2005, p. 318/9 en www.svchapel.org/Resources/Articles/read_articles.asp?ID=106).

 

129. De reden dat door de auteur in dit hoofdstuk (in kleine letters) het boek van Derek Morphew bespreekt is dat het boek de achtergrond aangeeft van de Alpha-cursus en New Wine. Wat valt er vanuit deze bespreking nu zeggen over de Alpha-cursus? En wat over New Wine? Wat is, zeg maar, de grond-dwaling? Welke consequenties heeft dat?

 

C. Discussie.

130. Het gaat in dit hoofdstuk over de doorwerking van de zonde vanuit de invalshoek vanuit het Rijk. Wat bent u zich bewust geworden? Kijkt u nu anders tegen bepaalde dingen aan?

 

131. In de geschiedenis van de Emmaüsgangers lees je dat ze, terugkijkend op wat er gebeurd was, tegen elkaar zeggen: ‘Brandde ons hart niet toen hij (=Jezus) onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons ontsloot?’ (Lucas 24, 32). Er is hier dus sprake van ‘vuur’ dat het hart ‘in vuur en vlam zet’. Tegenwoordig wordt dit verbonden met het werk van de Geest; de Geest die je ‘in vuur en vlam zet’. Klopt dit vanuit Lucas 24? Zou je in dat verband ook vandaag nog kunnen spreken van ‘vreemd vuur’? (zie Num. 3, 4 en 26, 61; NBG-vertaling). Hoe kun je hierin onderscheiden?

 

132. In de inleiding is door de auteur het volgende gezegd: “We lezen namelijk ook in de bijbel dat de satan er vanaf het begin op uit is om het Woord te ondermijnen. Hij wil de mens zijn rijk binnenvoeren - dát is zijn grote doel. Die ondermijning begint vaak met de plaats, de betekenis, de heerschappij van dit Woord.” (p. 7)

De vraag is nu hoe en waar wordt in onze kerken nu de centrale positie van Gods Woord ondermijnd. Om deze vraag te beantwoorden is het zinvol om in de spiegel te kijken van andere kerken, waar de waarheid van het Woord niet langer wordt gehandhaafd. De auteur heeft hiervan een opsomming gegeven in de brochure. Ga de punten uit § 6.3. van de brochure (op te halen via de webstek) bij langs en stel de vraag in hoeverre de verschuivingen die daar genoemd worden ook reeds binnen onze kerken een feit zijn.

 

 

Opmerkingen vooraf bij vragen deel 4

 

*  Dit deel bevat de moeilijkste hoofdstukken van dit boek. Hierin gaat de auteur de confron­tatie aan met andere indelingen in de werkelijkheid. Hij snijdt daarmee onderwerpen aan die eigenlijk een veel uitvoeriger bespreking verdienen. Ze worden in dit boek sterk beperkt en zo eenvoudig mogelijk behandeld.

*  In dit deel onderzoeken we hoe de zonde doorwerkt in het denken. En dan vooral in de ideeën en theorieën (dwalingen) van gelovigen die zeggen Gods Woord te aanvaarden en die dat op veel punten ook inderdaad doen, maar die toch de plaats en inhoud van het Woord niet voldoende respecteren. Juist hún ideeën en theorieën moeten onze volle aandacht heb­ben, omdat ze ons als gelovigen indringend kunnen aanspreken. Hier ligt ook het verschil met H. 10 waar het vooral gaat over imitaties van het Woord door mensen die (meestal) het Woord openlijk verwerpen of het zelfs niet kennen (zoals de heidenen). Al zijn de grenzen hier niet altijd even scherp.

 

 

VRAGEN BIJ HOOFDSTUK 12

 

A. Vragen over de tekst.

133. Paulus spreekt de Atheners aan op hun creationele manier van denken over godsdienstige zaken. Hoe doet hij dat?

 

134. De auteur somt 4 gevolgen op die te maken hebben met het feit dat Thomas van Aquino een wijsgerig-theologisch denkstelsel ontwikkelde waarin allerlei elementen van de Griekse wijsbegeerte werden vermengd met gegeven uit de Schrift. Welke zijn dat?

 

135. Welke reden wordt genoemd waarom de Reformatie het natuur-genade schema niet in z’n geheel heeft overwonnen?

 

136. Geef aan hoe de zondeval in de roomse leer van zijn diepe ernst wordt ontdaan en hoe daardoor als vanzelf de genadige verkondiging van het verlossende Woord zijn doordringend en alomvattend karakter verliest.

 

137. De auteur beweert dat theologie en filosofie als wetenschappen een verschillend waarheidsbegrip gebrui­ken. Waaruit bestaan die verschillen?

 

B. Verdiepende vragen.

138. De discussie in de vorige eeuw onder de gereformeerden ging onder meer over het on­derscheid tussen lichaam enerzijds en ziel of geest anderzijds. Velen waren van mening dat de gereformeerde mensleer (via het natuur-genade-schema) veel te sterk was doortrokken van heidense Griekse invloeden (lichaam als stoffelijk omhulsel en ziel als onsterfelijke vorm van de geest). Lees hierover Notitie 1 en bepaal een eigen standpunt aan de hand van HC Z. 22 v/a 57.

 

139. De HC gaat uit van het onderscheid tussen ellende, verlossing en dankbaarheid. Geef aan hoe deze indeling én de manier waarop zij wordt ingevuld vooral is ingegeven door de strijd tegen de roomse opvattingen.

 

140. Het lijkt erop dat de filosofie de plaats van de ‘koningin der wetenschappen’ is gaan in­nemen. Al gebruikt onder ons niemand vandaag dergelijke hoogdravende taal. In dit boek wordt beweerd dat het Woord boven de schepping staat (verklarend, normstellend, terrein­toewijzend). Moet hieruit niet worden afgeleid dat de theologie superieur is aan welk onder­zoek van de schepping ook?

 

C. Discussie.

141. De ontkenning dat de mens tussen zijn sterven en opstanding bewust voortbestaat speelde een rol in de discussie rondom het ontstaan van de Ned. Gereformeerde kerken. Is HC Z. 22 een voorbeeld van de Grieks-heidense invloeden?

142. Over de onsterfelijkheid van de ziel was er rondom de Vrijmaking en felle discussie. De klassieke opvatting noemde de ziel ‘onsterfelijk’ en het lichaam sterfelijk. Hierbij zou men zich o.m. kunnen beroepen op Mat. 10, 28 en 1Kor 15, 53 en 54. Maar de tegenstanders beriepen zich op 1Tim. 6,16. Is het mogelijk dat het woord ‘onsterfelijk’ meer dan één betekenis heeft?

 

143. De organisatie van een kerk of kerkverband benut (zoals elke organisatie) creationele mogelijkheden voor een bepaald doel. In zoverre valt de kerk als samenlevingsverband ook onder de filosofie. Maar de manier van kerkinrichting wordt beheerst door het Woord. De roomse kerk is sterk hiërarchisch georganiseerd. Het Leger des Heils imiteert het ‘militaire apparaat’, compleet met de namen van de rangen. Het andere uiterste noemen we ‘independentistisch’ (independent = onafhankelijk). Beide uitersten hebben voordelen voor het bewaren van de eenheid. Welke voordelen?

 

 

VRAGEN BIJ HOOFDSTUK 13

 

A. Vragen over de tekst.

144. Welke twee aspecten zitten er aan het natuur-genade schema? Welk aspect is volgens de auteur wel en welke niet door de Reformatie overwonnen?

145. Uit de opvatting van de dopersen blijkt ook een duidelijke tweedeling. Ze maken deze vooral binnen de mens. Welk verband bestaat er tussen deze opvatting en het natuur-ge­nade-schema?

146. Hoe hebben voormannen als H. Bavinck en A.Kuyper gereageerd op het natuur-ge­nade-schema?

 

147. Welk verband is er tussen het natuur-genade-schema en het schema inwendig-uitwendig? Welk verband is te herkennen met het oude Griekse onderscheid tussen stof en geest? Welke gevaren zijn aan dit schema verbonden (Ze ook Brochure par. 6.1)?

 

148. Op grond van welke uitlatingen van K.Schilder blijkt dat hij in beginsel het natuur-ge­nade-schema heeft doorbroken?

 

149. Welke invloeden van het natuur-genade-schema ziet de auteur in de praktijk bij de aan­hangers van de Reformatorische Wijsbegeerte? (Zie p. 159 en Brochure par. 5.3.2).

 

B. Verdiepende vragen.

150. Vóór de Vrijmaking werd dwingend als gereformeerde leer opgelegd dat de doop ‘aan­wezige inwendige genade’ verzegelde. Welke overeenkomst bestaat er tussen dit standpunt en de opvatting van de wederdopers?

 

151. De auteur heeft grote bewondering voor de Reformatorische Wijsbegeerte. Hij stelt echter dat deze (en elke) wijsbegeerte zich bezig moet houden met het aardse geschapene (aard, structuur hiervan enz. zie H. 12.4). Enkele theologische beweringen van deze wijsbe­geerte bestrijdt hij. Welk bezwaar maakt hij tegen het gebruik van het hart en tegen het on­derscheid tussen de geloofsfunctie en de religie? Verder verzet hij zich tegen het gebruik van creationele termen voor feuderale onderwerpen. Geef een voorbeeld van dit laatste.

 

C. Discussie.

152. De vraag of de wil van elk mens ‘vrij’ is of niet, houdt de mensen al eeuwen lang bezig. Het Remonstrantse standpunt staat in de DL.( III/IV Verwerp. 3). De gereformeerden beleden dat de wil wél behouden bleef (tegen de Luthersen), maar totaal verdorven was en dat juist dáár de Geest de mens vernieuwend aangrijpt (III/IV art. 12). Stelling: In de Evange­lische beweging komt ook een sterke remonstrantse tendens voor, die mede haar geloofs­cultuur bepaalt.

 

 

VRAGEN BIJ HOOFDSTUK 14

 

A. Vragen over de tekst.

153. De algemene weerhouding krijgt vandaag minder aandacht. Welke oorzaken noemt de auteur voor dit verschijnsel?

154. Wat is de invloed van het natuur-genade-schema op de leer van de algemene weerhouding.

 

155. K.Schilder achtte de algemene weerhouding eigen aan de tijd. Welke consequenties heeft deze andere benadering? Wat is de kritiek van de auteur?

 

156. De algemene creationele weerhouding wordt door de schrijver ontkend. Welke argu­menten draagt hij daarvoor aan?

 

B. Verdiepende vragen.

157. Stel dat de zondeval de schepping zou kunnen/moeten vernietigen, wat is dan het ver­schil tussen Kuypers vergelijking van de val met een treinramp en zijn vergelijking met een gif? Wat zegt het verschil tussen deze beide beelden over de visie van Kuyper op het karak­ter van de zonde?

 

158. Wie ontkent dat er een algemene creationele weerhouding bestaat of noodzakelijk is, aanvaardt daarmee de zondeleer van het natuur-genade-schema. Is deze stelling juist?

 

C. Discussie.

159. De leer van de algemene genade en het natuur-genade-schema verschillen over de reden die het bestaan mogelijk maken van cultuur en geschiedenis, maar uiteindelijk verschillen beide benaderingen niet of nauwelijks in hun waardering van deze verschijnselen. Is dat juist?

 

 

VRAGEN BIJ HOOFDSTUK 15

 

A. Vragen over de tekst.

160. De klassieke gereformeerde opvatting over het beeld van God na de zondeval kun je beschrijven als een tussenweg. Geeft de uitersten aan die vermeden worden.

161. Welke invloed heeft het natuur-genade schema als het gaat om het beeld van God?

162. Het beeld van God komt in twee situaties ter sprake: 1. Wat is ervan overgebleven in de gevallen mens die zich niet bekeert van zijn zonde? En: 2. Wat krijgt de zondaar terug van dat evenbeeld als hij zich bekeert? Welke antwoorden worden op deze 2 vragen in dit hoofdstuk gegeven?

 

B. Verdiepende vragen.

163. In Rom. 1 en 2 wordt gesproken over de heidenen, maar het beeld van God wordt daar niet vermeld. De belijdenis echter brengt deze passages wél in verband met het beeld van God (tekstverwijzing bij NGB art. 14 en DL III/IV art. 4). Zowel in het OT als in het NT wordt het geschapen zijn van ieder mens naar het beeld van God genoemd als bepalend voor de ernst van de zonde tegen de mens (tegen zijn leven en tegen zijn goede naam). Waar ge­beurt dat?

164. Het woord ‘beeld’ wordt op verschillende plaatsen in de bijbel gebruikt. In Gen. 1 wordt de mens het (even)beeld van God genoemd. De uitleg hiervan met behulp van het driedelig ambt ziet meer op de Christus, van Wie de gelovige het evenbeeld zal worden (Rom. 8, 29) en Die Zelf ook weer ‘het beeld van God’ wordt genoemd (2Kor. 4, 4). In 1Kor. 11, 7 wordt alleen de man het beeld van God genoemd. In het Nederlands heeft ‘beeld’ meer dan één betekenis. In de bijbel ook?

165. Vroeger dacht men bij ‘beeld van God’ meestal aan bepaalde eigenschappen van de mens. Later ging hier vooral het driedelig ambt een rol spelen. Zijn deze opvattingen totaal verschillend of vullen ze elkaar aan?

 

C. Discussie.

166. Door ‘het goede’ bij de ongelovigen toe te schrijven aan hun geschapen moge­lijkheden overschat men de schepping. ‘Het goede’ bij gelovigen wordt bij voorkeur ‘gave van de Geest’ genoemd. Hoe moeten we hier onderscheiden?